|
Zeehavengeld gemeente Rotterdam
Hoge Raad
7 mei 2004
Zaaknr. 37375
Rechtspraak.nl, LJN-nr. AF7547
Belastingzaak. Gerechtshof heeft stelling dat sprake is van
misbruik van een economische machtspositie onvoldoende gemotiveerd
weerlegd.
Art. 86 (thans 82) EG.
Misbruik economische machtspositie (excessieve tarieven). ~
Belastingzaak omtrent de hoogte van het zeehavengeld van de gem.
Rotterdam. ~ Zonder nadere motivering is niet duidelijk waarom de door
het Hof vermelde feiten en omstandigheden de gevolgtrekking
rechtvaardigen dat van misbruik geen sprake is. De enkele
omstandigheid dat verschillende typen schepen verschillend gebruik
maken van de haven en verschillend profijt hebben van de daar geboden
voorzieningen, zonder enige indicatie van de omvang van die
verschillen en de verhouding daarvan tot de verschillen in de door de
gemeente gehanteerde tarieven, kan dit oordeel niet dragen, i.h.b.
niet nu het Hof daarbij uitdrukkelijk in het midden heeft gelaten of
olietankers en containerschepen in deze als gelijk kunnen worden
aangemerkt. ~ Beroep gegrond.
BIK: 632 Overige dienstverlening voor het vervoer n.e.g.
Partijen
- Belanghebbende: X-5 (geanonimiseerd).
- College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam.
Feiten
Het betreft een belastingzaak. Belanghebbende heeft in 1997 ter zake
van de aankomst in de haven op grond van de Verordening Zeehavengeld
1990 van de gemeente Rotterdam een bedrag van ƒ 333.703 aan
zeehavengeld voldaan. Belanghebbende stelt o.a. dat de gemeente
Rotterdam handelt in strijd met artikel 82 EG doordat het
havengeldtarief excessief is.
Beoordeling van het cassatiemiddel
“3.4. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat belanghebbendes stelling
dat sprake is van misbruik als bedoeld in artikel 86, letter c,
EG-Verdrag (thans artikel 82, letter c, EG) moet worden verworpen op
de gronden vermeld in rechtsoverweging 7.3 van zijn uitspraak.
Middelonderdeel I, sub C, dat zich tegen dit oordeel keert, is terecht
voorgesteld. Zonder nadere motivering, welke echter ontbreekt, is
immers niet duidelijk waarom de in 's Hofs rechtsoverweging 7.3
vermelde feiten en omstandigheden de gevolgtrekking rechtvaardigen dat
van misbruik als bedoeld in artikel 86, letter c, EG-Verdrag (thans
artikel 82, letter c, EG) geen sprake is. De enkele omstandigheid dat
verschillende typen schepen verschillend gebruik maken van de haven en
verschillend profijt hebben van de daar geboden voorzieningen, zonder
enige indicatie van de omvang van die verschillen en de verhouding
daarvan tot de verschillen in de door de gemeente gehanteerde
tarieven, kan dit oordeel niet dragen, in het bijzonder niet nu het
Hof daarbij uitdrukkelijk in het midden heeft gelaten of olietankers
en containerschepen in deze als gelijk kunnen worden aangemerkt. 's
Hofs uitspraak is in zoverre derhalve niet naar de eis der wet met
redenen omkleed.
3.5. Voorzover ook rechtsoverweging 7.17 van de uitspraak (mede) is
bedoeld als redengevend voor 's Hofs hiervoor in 3.4 besproken
oordeel, wordt daartegen in onderdeel I, sub B, terecht opgekomen. In
het licht van het debat van partijen zoals dat blijkt uit de
gedingstukken, voor een deel weergegeven in de onderdelen 3.2.3-3.2.5
van de conclusie van de Advocaat-Generaal, kon het Hof op dit punt
immers niet volstaan met het oordeel dat belanghebbende tegenover de
gemotiveerde betwisting van de Inspecteur niet aannemelijk heeft
gemaakt dat het zeehavengeld voor olietankers niet in redelijke
verhouding staat tot de economische waarde van de door de gemeente ten
behoeve van hen geleverde prestatie. Ook in zoverre behoefde 's Hofs
oordeel nadere motivering, die zijn uitspraak niet bevat.”
Dictum
De Hoge Raad verklaart het beroep gegrond en verwijst het geding naar
het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de
zaak.
Volledige
uitspraak |