|
Vodafone / d-g
NMa
College van Beroep voor het bedrijfsleven
26 mei 2004
Zaaknr. AWB 02/1913
Rechtspraak.nl, LJN-nr. AP0953
Overeenkomst tussen Libertel en Service Provider. Merkbaarheid.
Groepsvrijstelling voor verticale overeenkomsten.
Art. 6, 12 ecn 17 Mw. Vol. 2790/1999.
Mededingingsbeperkende afspraken (verticaal). Merkbaarheid. ~ Libertel
voert o.m. aan dat de omstreden bepalingen objectief noodzakelijk zijn
om de goede werking van de ovk. te verzekeren. Het College begrijpt
dit betoog aldus dat Libertel meent dat de bedoelde bepalingen
nevenrestricties zijn bij de ovk. In dat geval vindt toetsing aan
artikel 6 Mw van de ovk. als geheel plaats en mogen de betrokken
bepalingen niet los gezien worden van de overige bepalingen van de
ovk. Een nevenrestrictie is elke restrictie die rechtstreeks verband
houdt met en nodig is voor de verwezenlijking van een primaire
transactie. De voorwaarde dat een restrictie nodig moet zijn,
impliceert een dubbel onderzoek. Onderzocht moet nl. worden, of de
restrictie objectief noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de
primaire transactie, en of zij daaraan evenredig is. Het onderzoek van
de objectieve noodzakelijkheid van een restrictie voor de primaire
transactie kan slechts vrij abstract zijn. Niet moet nl. worden
onderzocht of de restrictie, gelet op de mededingingssituatie op de
betrokken markt, onmisbaar is voor het commerciële succes van de
primaire transactie, maar wel of, in het bijzondere kader van de
primaire transactie, de restrictie noodzakelijk is voor de
verwezenlijking daarvan. ~ Merkbaarheid: Het College stelt vast dat de
door de rb. uitgevoerde toetsing voldoet aan de eisen die bij
toepassing van art. 6 Mw aan toetsing aan het merkbaarheidsvereiste
zijn te stellen, nl. dat rekening moet worden gehouden met de concrete
situatie waarin zij effect sorteert, en i.h.b. met de economische en
juridische context waarin de betrokken ondernemingen opereren, de aard
van de diensten waarop deze overeenkomst betrekking heeft, en de
structuur van de relevante markt en de werkelijke omstandigheden
waaronder deze functioneert. ~ De rb. heeft het systeem van de
groepsvrijstelling (Vo. 2790/1999) miskend. Als een ovk. voldoet aan
de criteria van de art. 2 en 3, en niet de beperking genoemd in art. 4
groepsvrijstelling tot doel heeft, dan is art. 81 EG (en art. 6 Mw)
n.v.t. op de gehele ovk., m.u.v. de verplichtingen genoemd in art. 5
groepsvrijstelling. Ook een mededingingsbeperkende bepaling die deel
uitmaakt van zodanige ovk. en waarvoor ontheffing krachtens art. 17 Mw
niet mogelijk zou zijn, valt derhalve niet onder het verbod van art. 6
Mw. De Commissie dan wel d-g NMa kunnen deze consequentie voorkomen
door het voordeel van de toepassing van de groepsvrijstelling
krachtens de art. 6 resp. 7 groepsvrijstelling in te trekken. ~ In
geschil is verder of de ovk. betrekking heeft op de voorwaarden
waaronder de pp. bepaalde goederen of diensten kunnen kopen, verkopen
of doorverkopen in de zin van art. 2 Vo. 2790/1999. De ovk. betreft de
levering van een dienst door Libertel aan een service provider, in die
zin dat Libertel toegang biedt tot haar mobiele netwerkfaciliteiten.
De beperkingen en verplichtingen die de omstreden bepalingen voor de
service provider meebrengen, zien uitsluitend op abonnees zoals
gedefinieerd in de ovk. Aldus kan het abonneebestand, anders dan de
rb. en d-g NMa menen, niet worden losgekoppeld van de ovk. tussen
Libertel en de service provider. De eis dat de ovk. betrekking heeft
op de voorwaarden waaronder de pp. bepaalde goederen of diensten
kunnen kopen, verkopen of doorverkopen staat aldus niet in de weg aan
toepassing van de groepsvrijstelling. Dat relevant is dat de omstreden
bepalingen hun werking pas doen gevoelen als de ovk. wordt beëindigd,
zoals de rb. meent, onderschrijft het College niet. ~ Hoger beroep
gegrond. D-g NMa dient opnieuw op het bezwaar van Libertel te
beslissen.
BIK: 642 Telecommunicatie.
Partijen
Eiser: Vodafone Libertel N.V. (“Libertel”)
Verweerder: de directeur-generaal van de Nederlandse
Mededingingsautoriteit (“d-g NMa”).
Aan het geding is voorts deelgenomen door Unipart Group Ltd, maar het
CBb oordeelt hierover dat zij niet tot het geding had mogen worden
toegelaten, en het CBb gaat daarom aan de argumenten van Unipart
voorbij (zie r.o. 6.1 hieronder en
de
uitspraak van het CBb van dezelfde datum onder nummer AWB 02/1914
(LJN-nr. AP0958)).
Achtergrond
Libertel heeft op 30 maart 1998
ontheffing gevraagd voor haar standaard Service Provider Overeenkomst
(“SPO”). Deze ontheffingsaanvraag is door de NMa afgewezen wegens twee
bepalingen die daarin voorkomen (zie hieronder). Libertel heeft
hiertegen bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij
besluit van 8 september 2000 ongegrond is verklaard. Libertel heeft tegen dit besluit beroep aangetekend bij de
Rechtbank Rotterdam. Bij
vonnis van 11 september 2002 heeft de
rechtbank het beroep afgewezen (zie hieronder voor de argumentatie van
de rechtbank). De onderhavige uitspraak betreft het hoger beroep van
Libertel tegen deze uitspraak.
“1. De procedure
[…]
2.2 Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
- Op 30 maart 1998 heeft Libertel Groep B.V. aan d-g NMa om
ontheffing als bedoeld in artikel 17 Mw gevraagd voor onder meer de
Service Provider Overeenkomst (hierna: SPO) die als
standaardovereenkomst wordt gebruikt tussen haar dochteronderneming
Libertel B.V. en zogeheten service providers. Op grond van deze
overeenkomst verleende Libertel [“Netwerkexploitant”] aan
service providers het niet-exclusieve recht om op eigen naam en voor
eigen rekening en risico in Nederland abonnementen voor mobiele
telefonie aan te bieden via haar netwerk. In de SPO is, voor zover
hier van belang, het volgende vermeld:
“[…]
Artikel 6 Duur van de overeenkomst / beëindiging van de
overeenkomst
(…)
7. In geval van beëindiging van deze overeenkomst zal Service Provider
de overeenkomsten aangegaan met haar Abonnees overdragen aan een
andere service provider van Netwerkexploitant of aan enige derde,
welke derde, mits na goedkeuring door Netwerkexploitant, als service
provider van Netwerkexploitant mag gaan opereren. Indien dit laatste
zich voordoet, zal deze derde een service provider-overeenkomst met
Netwerkexploitant dienen aan te gaan. (…)
Indien Service Provider er niet in slaagt de Abonnees over te dragen
aan een andere (toekomstige) service provider van Netwerkexploitant,
hetgeen schriftelijk door Service Provider aan Netwerkexploitant zal
worden bericht, zullen de Abonnees moeten worden overgedragen aan
Netwerkexploitant. (…)
Artikel 16 Overdracht van rechten en verplichtingen / overdracht van
abonnees
(…)
2. Service Provider is niet gerechtigd al haar Abonnees of een deel
daarvan aan een derde over te dragen zonder voorafgaande schriftelijke
goedkeuring van Netwerkexploitant, tenzij deze derde een service
provider van Netwerkexploitant is of ten tijde van de rechtshandeling
zekerheid bestaat over het feit dat deze derde een service provider
van Netwerkexploitant zal worden. "
3. De uitspraak van de rechtbank
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het in
de SPO opgenomen goedkeuringsvereiste de strekking of het gevolg had
de mededinging op de relevante Nederlandse markt voor mobiele
telecommunicatiediensten te beperken. Verder heeft de rechtbank
overwogen dat de bepalingen in de SPO een merkbare beperking van de
mededinging vormden en aldus in strijd waren met artikel 6, eerste
lid, van de Mw.
Vervolgens heeft de rechtbank beoordeeld of een groepsvrijstelling als
bedoeld in artikel 12 Mw de artikelen 6, zevende lid, en 16, tweede
lid, van de SPO bestreek. Daarvoor was volgens de rechtbank allereerst
vereist dat de SPO binnen de in artikel 2, eerste lid, van de
groepsvrijstelling gegeven definitie van verticale overeenkomst viel.
De rechtbank was van oordeel dat het goedkeuringsvereiste een
restrictie was die geen betrekking had op het (hoofd)doel van de
overeenkomst. Het goedkeuringsvereiste deed zijn werking volgens de
rechtbank pas gevoelen in het geval de SPO werd beëindigd dan wel een
van de partijen bij de SPO haar activiteiten staakte. Naar het oordeel
van de rechtbank hadden de in geding zijnde bepalingen daarom geen
betrekking op de voorwaarden waaronder de partijen bepaalde goederen
of diensten konden kopen, verkopen of doorverkopen. Volgens de
rechtbank viel verder niet in te zien dat het doorverkopen van
belminuten afhankelijk zou zijn van een voorziening die de betrokken -
verkopende - netwerkexploitant in de gelegenheid stelt nieuwe
toetreders van de betrokken dienstenmarkt te weren, zodat het
goedkeuringsvereiste niet objectief noodzakelijk was om een goede
werking van de SPO te verzekeren. Volgens de rechtbank was aldus niet
voldaan aan artikel 2, eerste lid, van de groepsvrijstelling, zodat de
artikelen 6, zevende lid, en 16, tweede lid, van de SPO niet
profiteerden van de groepsvrijstelling.
De rechtbank heeft het beroep van Libertel ongegrond verklaard.
4. Het standpunt van Libertel in hoger beroep
[…]
5. Het standpunt van d-g NMa in hoger beroep
[…]
6. De beoordeling van het hoger beroep
6.1 Het College overweegt over de deelname door Unipart aan het geding
allereerst het volgende. Bij
uitspraak van heden, kenmerk Awb 02/1914, heeft het College
uitspraak gedaan in het hoger beroep van Unipart tegen de
niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank. Gelet op die uitspraak
en op grond van dezelfde overwegingen is het College van oordeel dat
Unipart ook geen belang heeft bij een uitspraak op het voorliggende
hoger beroep, zodat zij niet op grond van artikel 8:26, eerste lid,
Awb als partij tot het onderhavige geding had mogen worden toegelaten.
Hierna zal dan ook aan de argumenten van Unipart worden voorbijgegaan.
6.2 Centraal in dit geding staan artikel 6, zevende lid, en artikel
16, tweede lid, SPO. Met de SPO verleent Libertel toegang tot haar
netwerkfaciliteiten aan een service provider. Die toegang gebruikt de
service provider om zijn afnemers mobiele telecommunicatiediensten te
verlenen. Kort gezegd koopt een service provider belminuten van
Libertel ten behoeve van de abonnees van die service provider. Artikel
6, zevende lid, SPO komt er op neer dat een service provider bij
beëindiging van de SPO verplicht is om de overeenkomsten met abonnees
over te dragen aan een service provider die een SPO met Libertel heeft
gesloten, aan een service provider die Libertel heeft goedgekeurd of
aan Libertel zelf. Artikel 16, tweede lid, SPO komt er op neer dat een
service provider de overeenkomsten met abonnees alleen mag overdragen
aan een service provider die een SPO met Libertel heeft gesloten, aan
een service provider die Libertel heeft goedgekeurd of aan Libertel
zelf.
6.3 Ter beoordeling van het hoger beroep dient het College eerst vast
te stellen of de SPO de mededinging beperkt als bedoeld in artikel 6,
eerste lid, Mw. Libertel voert onder meer aan dat artikel 6, zevende
lid, en artikel 16, tweede lid, SPO objectief noodzakelijk zijn om de
goede werking van de SPO te verzekeren. Het College begrijpt dit
betoog aldus dat Libertel meent dat de bedoelde bepalingen
nevenrestricties zijn bij de overeenkomst tot verlening van toegang
tot netwerkfaciliteiten. In dat geval vindt toetsing aan artikel 6,
eerste lid, van de SPO als geheel plaats en mogen de betrokken
bepalingen niet los gezien worden van de overige bepalingen van de
SPO.
Een nevenrestrictie is elke restrictie die rechtstreeks verband houdt
met en nodig is voor de verwezenlijking van een primaire transactie.
De voorwaarde dat een restrictie nodig moet zijn, impliceert een
dubbel onderzoek. Onderzocht moet namelijk worden, of de restrictie
objectief noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de primaire
transactie, en of zij daaraan evenredig is. Het onderzoek van de
objectieve noodzakelijkheid van een restrictie voor de primaire
transactie kan slechts vrij abstract zijn (vergelijk arrest van het
Gerecht van eerste aanleg van 18 september 2001, Métropole télévision
- M6 e.a./Commissie, T-112/99, Jur. blz. II-2459, punten 106-109).
Niet moet namelijk worden onderzocht of de restrictie, gelet op de
mededingingssituatie op de betrokken markt, onmisbaar is voor het
commerciële succes van de primaire transactie, maar wel of, in het
bijzondere kader van de primaire transactie, de restrictie
noodzakelijk is voor de verwezenlijking daarvan.
Met artikel 6, zevende lid, en artikel 16, tweede lid, SPO stelt
Libertel de benutting van (een deel van) haar netwerk min of meer
zeker. Het College begrijpt de door Libertel gestelde noodzaak om
investeringen te beschermen, dan ook aldus dat zij niet onnodig wil
investeren in het opbouwen en onderhouden van haar
telecommunicatienetwerk. Deze wens vormt echter nog geen
rechtvaardiging voor het opnemen van de betrokken bepalingen in de
SPO. Daarvoor is nodig dat zonder de verplichte overdracht van de
overeenkomsten tussen service provider en abonnees, alsmede zonder de
beperking van de overdraagbaarheid van de overeenkomsten tussen
service provider en abonnees, Libertel een service provider geen
toegang tot het telecommunicatienetwerk kan bieden. Libertel heeft
niet aangetoond dat aan deze voorwaarde is voldaan. Reeds hierom acht
het College artikel 6, zevende lid, en artikel 16, tweede lid, SPO
geen nevenrestricties. De rechtbank heeft dan ook terecht de
mededingingsbeperking door artikel 6, zevende lid, en artikel 16,
tweede lid, SPO op zichzelf bezien en geen belang gehecht aan de door
Libertel gestelde bevordering van de mededinging door ook toegang tot
haar netwerk aan service providers te verlenen die niet tot hetzelfde
concern behoren als Libertel.
6.4 Wat betreft de stelling van Libertel over de merkbaarheid van de
mededingingsbeperking door artikel 6, zevende lid, en artikel 16,
tweede lid, SPO, stelt het College vast dat Libertel niet betwist dat
genoemde bepalingen op zichzelf de mededinging beperken; zij richt
zich enkel tegen het oordeel van de rechtbank dat die beperking
merkbaar is.
Het verbod van artikel 6, eerste lid, Mw geldt niet voor een
overeenkomst die slechts in zo geringe mate de mededinging beperkt dat
de mededingingsbeperking niet merkbaar is. De rechtbank heeft in de
bestreden uitspraak bij de beoordeling van de merkbaarheid betekenis
toegekend aan het beperkte aantal spelers op de relevante markt, het
feit dat Libertel op deze markt een niet onbeduidende positie inneemt,
en het feit dat Libertel niet alleen actief is als aanbieder van
mobiele telecommunicatiediensten maar ook beschikt over een eigen
mobiel telecommunicatienetwerk. Het College stelt vast dat de aldus
door de rechtbank uitgevoerde toetsing voldoet aan de eisen die bij
toepassing van artikel 6, eerste lid, Mw aan toetsing aan het
merkbaarheidsvereiste zijn te stellen, namelijk dat rekening moet
worden gehouden met de concrete situatie waarin zij effect sorteert,
en in het bijzonder met de economische en juridische context waarin de
betrokken ondernemingen opereren, de aard van de diensten waarop deze
overeenkomst betrekking heeft, en de structuur van de relevante markt
en de werkelijke omstandigheden waaronder deze functioneert (vergelijk
het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 15 september 1998,
European Night Services Ltd, T-374/94, T-375/94, T-384/94 en T-388/94,
Jur. blz. II-3141, punt 136). Nu d-g NMa reeds voldoende aannemelijk
heeft gemaakt dat, gelet op de structuur van de twee markten die door
de mededingingsbeperking worden beïnvloed - de markt voor het bieden
van toegang tot netwerkfaciliteiten en de markt voor
telecommunicatiediensten - en de positie van Libertel op die markten,
de mededingingsbeperking door deze bepalingen niet zodanig gering is
dat deze niet merkbaar is, oordeelt het College dat d-g NMa het door
Libertel gewenste aanvullende onderzoek niet hoefde te verrichten.
Libertel heeft voorts niet betwist dat in het onderhavige geval de
betrokken bepalingen de toegang tot mobiele netwerkfaciliteiten
beperken. In dit geval is sprake van een andere situatie dan in het
door Libertel aangevoerde arrest van het Hof van Justitie van 12
september 2000 (Pavlov e.a., C-180/98 tot C-184/98, Jur. I-6451),
waarin een aanvullende pensioenregeling een beperkend effect had op
slechts één kostenfactor en van geringe betekenis was in vergelijking
met andere factoren die de prijs bepalen van diensten van zelfstandige
medisch specialisten, zoals artsenhonoraria en de prijs van medische
apparatuur.
Libertel heeft voorts nog gewezen op de beschikking van de Commissie
van 8 september 1999 (GSA-overeenkomst 1991, 1999/687/EG, Pb 1999,
L271, blz. 28). In dat geval oordeelde de Commissie, anders dan
Libertel lijkt te suggereren, dat de mededinging wel merkbaar werd
beperkt. De Commissie oordeelde weliswaar dat de overeenkomst geen
merkbaar effect op de handel tussen de lidstaten had, maar anders dan
in artikel 81, eerste lid, EG is dit geen voorwaarde voor toepassing
van artikel 6, eerste lid, Mw. Hieruit volgt dat ook in genoemde
beschikking, wat daar overigens van zij, voor het standpunt van
Libertel geen steun kan worden gevonden.
Gezien het bovenstaande ziet het College in hetgeen Libertel heeft
aangevoerd, geen reden om het oordeel van de rechtbank dat de
overeenkomst merkbaar de mededinging beperkt, niet juist te achten.
6.5 Ter beoordeling staat vervolgens of de groepsvrijstelling
ingevolge artikel 12 Mw ertoe leidt dat artikel 6, eerste lid, Mw in
dit geval niet geldt.
Het College is van oordeel dat de rechtbank in de bestreden uitspraak
het systeem van de groepsvrijstelling heeft miskend. Als een
overeenkomst voldoet aan de criteria van de artikelen 2 en 3, en niet
de beperking genoemd in artikel 4 groepsvrijstelling tot doel heeft,
dan is artikel 81, eerste lid, EG - en ingevolge artikel 12 Mw ook
artikel 6, eerste lid, Mw - niet van toepassing op de gehele
overeenkomst, met uitzondering van de verplichtingen genoemd in
artikel 5 groepsvrijstelling. Ook een mededingingsbeperkende bepaling
die deel uitmaakt van zodanige overeenkomst en waarvoor ontheffing
krachtens artikel 17 Mw niet mogelijk zou zijn, valt derhalve niet
onder het verbod van artikel 6, eerste lid, Mw. De Commissie dan wel
d-g NMa kunnen deze consequentie voorkomen door het voordeel van de
toepassing van de groepsvrijstelling krachtens de artikelen 6,
respectievelijk 7 groepsvrijstelling in te trekken.
In geschil is verder of de overeenkomst betrekking heeft op de
voorwaarden waaronder de partijen bepaalde goederen of diensten kunnen
kopen, verkopen of doorverkopen, wat ingevolge artikel 2, eerste lid,
groepsvrijstelling één van de eisen is voor toepassing ervan. De SPO
betreft de levering van een dienst door Libertel aan een service
provider, in die zin dat Libertel toegang biedt tot haar mobiele
netwerkfaciliteiten. De beperkingen en verplichtingen die artikel 6,
zevende lid, en artikel 16, tweede lid, SPO voor de service provider
meebrengen, zien uitsluitend op abonnees zoals gedefinieerd in de SPO,
te weten klanten van een service provider voor een of meer
basistelecommunicatiediensten die Libertel aan de service provider
aanbiedt. Aldus kan het abonneebestand, anders dan de rechtbank en d-g
NMa menen, niet worden losgekoppeld van de overeenkomst tussen
Libertel en service provider. De eis dat de overeenkomst betrekking
heeft op de voorwaarden waaronder de partijen bepaalde goederen of
diensten kunnen kopen, verkopen of doorverkopen staat aldus niet in de
weg aan toepassing van de groepsvrijstelling. Dat relevant is dat
artikel 6, zevende lid, en artikel 16, tweede lid, SPO hun werking pas
doen gevoelen als de SPO wordt beëindigd, zoals de rechtbank meent,
onderschrijft het College niet. Allereerst stelt het College vast dat
artikel 16, tweede lid, SPO, anders dan artikel 6, zevende lid, niet
alleen van toepassing is ingeval van beëindiging van de SPO, maar ook
gedurende de looptijd van de SPO. Daarnaast volgt uit artikel 2,
eerste lid, groepsvrijstelling niet dat dit artikel alleen geldt voor
de voorwaarden waaronder Libertel diensten aan een service provider
levert en de service provider deze van Libertel afneemt; ook een
bepaling in de SPO die betrekking heeft op de levering van een dienst
door een service provider aan een derde kan onder de werking van de
groepsvrijstelling vallen.
D-g NMa heeft dan ook bij de beoordeling van de bezwaren tegen de
weigering van de opheffing in strijd met artikel 3:2 Awb bij de
voorbereiding van het besluit van 8 september 2000 niet de nodige
kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen
vergaard.
6.6 Gelet op voorgaande overwegingen is het hoger beroep van Libertel
gegrond. De aangevallen uitspraak van de rechtbank dient in zoverre te
worden vernietigd. Het College ziet voorts aanleiding om doende wat de
rechtbank zou moeten doen, het beroep van Libertel gegrond te
verklaren, het besluit op bezwaar te vernietigen en d-g NMa op te
dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.
Het College acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met
toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het
bedrag van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten wordt
vastgesteld op € 1288,-- (4 punten van elk € 322,--).
7. De beslissing
Het College:
- verklaart het hoger beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart het beroep van Libertel tegen het besluit van d-g NMa van
8 december 2000 gegrond;
- vernietigt het besluit van d-g NMa van 8 december 2000;
- draagt d-g NMa op om opnieuw een besluit te nemen op het
bezwaarschrift tegen de weigering van ontheffing;
- [proceskostenveroordeling]”
Volledige
uitspraak |