|
3309 / NIP, LVE, NVP en NVVP
Besluit
26 april 2004
Boetes en last onder dwangsom voor vier ondernemersverenigingen
wegens geven van prijsaanbevelingen (adviestarieven) aan hun leden.
Art. 6 Mw.
Mededingingsbeperkende afspraken (horizontaal). Ondernemersvereniging.
Art. 6 Mw. ~ Boetes en last onder dwangsom voor vier
brancheverenigingen van psychotherapeuten wegens het verstrekken van
adviestarieven aan hun leden. ~ De adviezen van pp. aan hun leden
vormen besluiten van ondernemersverenigingen. ~ Prijsadviezen zijn
naar hun aard mededingingsbeperkend, zelfs indien er geen sprake is
van een afdwingbare plicht tot het volgen ervan. Aan het
merkbaarheidsvereiste is voldaan; ten minste 33% van de vrijgevestigde
psychologen is bij het NIP aangesloten; ca. 60% van de
eerstelijnspsychologen is aangesloten bij de LVE; minimaal 60% van de
vrijgevestigde psychotherapeuten is bij de NVVP aangesloten. ~
Boeterichtsnoeren worden niet toegepast, aangezien dit tot evidente
onbillijkheid zou leiden. Er is sprake van zware overtredingen.
Rekenfactor zou 0,2 zijn geweest. ~ Boetes: NIP EUR 240.000, LVE EUR
80.000, NVP EUR 55.000 en NVVP EUR 70.000. ~ Last onder dwangsom voor
LVE dat zij zich onthoudt van tariefadviezen en voor alle pp. dat zij
hun leden mededelen dat de praktijk van het verstrekken van
tariefadviezen definitief is beëindigd. Opschortende werking van
bezwaar en beroep t.a.v. last opgeheven.
BIK: 851 Gezondheidszorg.
Betrokken ondernemingsverenigingen
De d-g NMa heeft op rapport doen opmaken wegens een vermoeden van
overtreding van art. 6 Mw door de volgende ondernemingsverenigingen:
- Nederlands Instituut van Psychologen (“NIP”);
- Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen (“LVE”);
- Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie (“NVP”);
- Nederlandse Vereniging van Vrijgevestigde Psychotherapeuten
(“NVVP”).
Inleiding
Het onderzoek van de NMa heeft zich gericht op het geven van
prijsaanbevelingen (ook “adviestarieven”) door de bovengenoemde
ondernemersverenigingen aan hun leden. Aanleiding voor het onderzoek
waren diverse adviestarieven gepubliceerd op de websites van de
ondernemersverenigingen en een tip van een cliënt.
In april 2003 hebben NMa-ambtenaren bedrijfsbezoeken afgelegd bij
partijen. Voorts heeft de NMa schriftelijk vragen aan partijen
gesteld.
Op 2 oktober 2003 heeft de d-g NMa rapport opgemaakt wegens het
vermoeden van overtreding van art. 6 Mw.
In het besluit wordt ook gesproken over het Platform Psychotherapie.
In dit Platvorm voeren de NVP, NVVP, het NIP en een andere
ondernemersvereniging (de NvVP) o.a. overleg over tarieven voor
psychotherapie. Dit Platform heeft geen formele juridische status.
Juridische beoordeling
Besluit van een ondernemersvereniging
“95. Naar het oordeel van de d-g NMa vormen de [...] adviezen
van partijen aan hun leden besluiten van ondernemersverenigingen in de
zin van artikel 6 Mw. Diverse feiten en omstandigheden ondersteunen
dit oordeel.
96. Het breed en regelmatig verspreiden van de adviezen door partijen
brengt al mee dat zij in staat zijn het gedrag van de leden te
coördineren en derhalve invloed hebben op de prijsstelling op de
markt. Bovendien kan er van worden uitgegaan dat de leden de adviezen
opvolgen althans dat de tarieven bij de individuele prijsstelling van
een lid een belangrijk ijkpunt zal vormen. Het is overigens voor de
kwalificatie van adviezen niet doorslaggevend in hoeverre de leden de
adviezen hebben opgevolgd en of de leden al dan niet zijn gedwongen om
de adviezen op te volgen, en evenmin of dit is gecontroleerd.
Tevergeefs stellen de NVP, het NIP en de LVE dan ook dat zij met
adviestarieven slechts een service wilden verlenen. Opgemerkt hierbij
wordt dat naar eigen zeggen van deze verenigingen de leden slecht
zouden zijn geëquipeerd om zelfstandig tarieven te berekenen.
97. Partijen zijn als gezaghebbende brancheorganisaties te beschouwen.
Immers naar schatting ten minste 33% van de vrijgevestigde psychologen
is aangesloten bij het NIP, circa 60% van de eerstelijnspsychologen
bij de LVE, minimaal 60% van de vrijgevestigde psychotherapeuten bij
de NVP en ten minste circa 60% van de vrijgevestigde psychotherapeuten
bij de NVVP [...]. Het effect van gedragingen van deze
organisaties onder hun leden dient dan ook niet te worden onderschat.
Dit betekent dat partijen met het verspreiden van prijsadviezen in
staat zijn het gedrag van hun leden te coördineren en derhalve invloed
hebben op de prijsstelling in de markt.
98. Verder is van belang dat de leden een gemeenschappelijk,
commercieel belang hebben hun gedragingen te coördineren en de
adviezen op te volgen. In tegenstelling tot wat partijen beweren
vormen tarieven, ook in het segment hulpverlening en gezondheidszorg,
wel degelijk elementen van concurrentie tussen de leden. Enkele
reacties van de leden van het NIP naar aanleiding van de door het NIP
uitgevoerde telefonische enquête illustreren dat er op prijs
geconcurreerd kan worden. Dit valt tevens af te leiden uit de
opmerking van de LVE waarin zij zegt ten behoeve van de cliënt te
willen zorgen voor enige transparantie over prijzen.
99. Voor wat betreft de adviestarieven voor psychotherapie kan ten
slotte nog worden opgemerkt dat zij in het kader van het Platform
worden vastgesteld en dat afgesproken is het gezamenlijk gedragen
adviestarief te hanteren. Sindsdien wordt een zelfde tarief door het
NIP, de NVP en de NVVP geadviseerd aan de leden:
“In de vergadering van het Platform Psychotherapie van 19 maart
1997 is afgesproken dat de verenigingen voorgesteld wordt een
gezamenlijk gedragen adviestarief voor psychotherapie te hanteren.
Sinds die tijd is het tarief van f. 139,= per consult van 45 minuten
face-to-face-contact geadviseerd. Er is in die vergadering niet
gesproken over eventuele jaarlijkse aanpassing van het adviestarief
vanwege de inflatie. Bij deze wil het bestuur van de NVVP het voorstel
doen deze indexering alsnog toe te passen. In concreto zou dat het
volgende betekenen: In 1997 was het geadviseerde tarief f. 139,=. De
trendmatige aanpassing voor het jaar 2000 t.o.v. 1997 is 119/111 […].
Het adviestarief wordt dan f. 149,= […] De NVVP stelt de vergadering
voor de trendmatige aanpassing jaarlijks of tweejaarlijks toe te
passen.”
100. Ook de inspanningen die de verenigingen in het kader van het
Platform zich getroostten om telkens weer tot één gezamenlijk gedragen
adviestarief te komen, kan niet anders worden opgevat dan als de
ondubbelzinnige bedoeling c.q. wil van het NIP, de NVP en de NVVP om
het gedrag van de leden te coördineren.
101. Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, concludeert de d-g
NMa dat de prijsaanbevelingen de getrouwe uitdrukking van de wil van
partijen vormen om het gedrag van hun leden op de betrokken markt te
coördineren en deze derhalve zijn aan te merken als besluiten van een
ondernemersvereniging in de zin van artikel 6, eerste lid, Mw. Meer
specifiek wordt in het hiernavolgende voor iedere vereniging nog
afzonderlijk gewezen op feiten en omstandigheden die ondersteunen dat
er sprake is van besluiten van ondernemersverenigingen in de zin van
artikel 6 Mw.”
Mededingingsbeperking
“122. Uit vaste Europese jurisprudentie, de beschikkingspraktijk van
de Europese Commissie en ook uit nationale jurisprudentie kan worden
afgeleid dat adviezen en aanbevelingen van ondernemersverenigingen die
betrekking hebben op (onderdelen van) prijzen en tarieven, naar hun
aard mededingingsbeperkend zijn en daardoor onder het verbod van
artikel 81, lid 1 EG vallen. In zijn interpretatie van artikel 6 Mw
volgt de d-g NMa deze lijn. Zelfs indien er geen sprake is van een
afdwingbare plicht tot het volgen van een adviestarief, dan nog zijn
bedoelde besluiten in strijd met artikel 6 Mw. In het geval van
adviestarieven kunnen de leden van de ondernemersverenigingen immers
met een redelijke mate van zekerheid voorzien welk prijsbeleid hun
concurrenten zullen volgen en aldus hun marktgedrag daarop afstemmen.
Als gevolg daarvan vermindert de prijsconcurrentie.
123. Zoals in randnummer 25 van de Richtsnoeren Samenwerking Bedrijven
uiteen is gezet vallen alle besluiten (inclusief aanbevelingen) van
ondernemersverenigingen die betrekking hebben op prijzen en tarieven,
met inbegrip van kortingen en toeslagen, onder het verbod van artikel
6 Mw en komen niet in aanmerking voor ontheffing op grond van artikel
17 Mw. Ook de onderhavige besluiten strekken ertoe de concurrentie op
het gebied van prijzen te beperken en zijn derhalve in strijd met
artikel 6 Mw.
124. Ook de per 2002 door de LVE gehanteerde rekenvoorbeelden waarin
bedragen of percentages bij posten zijn opgenomen, zijn vanuit
mededingingsoogpunt aan te merken als de facto adviestarieven en
hebben tot doel en gevolg dat het prijsgedrag van de ondernemingen die
dergelijke rekenvoorbeelden hanteren, wordt geüniformeerd. Dergelijke
rekenvoorbeelden zijn dan ook mededingingsbeperkend en vallen onder
het verbod van artikel 6 Mw. Zij moeten worden beoordeeld op gelijke
voet met 'kale' adviestarieven zonder rekenvoorbeeld.
125. De onderhavige besluiten van partijen strekken ertoe de
concurrentie op het gebied van prijzen te beperken en zijn aan te
merken als mededingingsbeperkingen in de zin van artikel 6 Mw, zonder
dat onderzoek naar de concrete gevolgen, waaronder de mate van
opvolging, beslissend is. Voor de beoordeling hoeft niet te worden
ingegaan op de concrete situatie waarin bedoelde adviezen mogelijk
effecten sorteren. Dit houdt in dat een gedetailleerd onderzoek naar
de (structuur van de) relevante markt en de aard van de diensten
waarop de besluiten betrekking hebben achterwege kan blijven.
126. Voor zover de partijen stellen dat zij niet beoogden de
mededinging te beperken, wat daarvan ook zij, kan hiermee de
mededingingsbeperkende strekking aan de besluiten van het NIP, de LVE,
de NVP en de NVVP niet worden ontnomen. Bij het bepalen van de
strekking van een mededingingsbeperking is het subjectieve oogmerk of
de bedoeling van partijen niet beslissend.
127. Het enkele vaststellen van adviesprijzen beïnvloedt de
mededinging ongunstig. Ook al zouden de adviezen nauwelijks in acht
worden genomen, zijn ze voor de leden geenszins van dwingende aard en
vormen ze in werkelijkheid slechts een berekeningsgrondslag, dan nog
neemt dit niet weg dat de adviestarieven strijdig zijn met artikel 6
Mw. Evenmin is van belang of de vrijheid voor de leden om hun eigen
tarieven te bepalen nauwelijks wordt aangetast en ook al zou de
mededinging zich voornamelijk afspelen ten aanzien van andere
concurrentieparameters. Aangenomen mag worden dat dergelijke adviezen
in ieder geval enige betekenis hebben. Leden kunnen met een redelijke
mate van zekerheid voorzien welk prijsbeleid hun concurrenten zullen
volgen althans als ijkpunt zullen hanteren bij de vaststelling van hun
tarieven.
128. Een ondernemersvereniging mag haar leden weliswaar bijstaan, maar
dit mag de mededinging niet direct of indirect beïnvloeden, vooral
niet als dit de vorm aanneemt van adviezen over (onderdelen van)
prijzen die op alle ondernemingen, ongeacht hun eigen
kostprijsstructuur, van toepassing zijn. In casu hebben partijen zich
niet beperkt tot het verspreiden van informatie om op basis van eigen
kosten de tarieven te berekenen maar hebben zij adviezen gegeven over
te hanteren tarieven. Dergelijke besluiten vormen naar hun aard
ernstige beperkingen van de mededinging.
129. De LVE heeft vanaf eind 2001 tot ten minste de vaststelling door
de d-g NMa van het rapport op 2 oktober 2003 voor haar leden een
rekenvoorbeeld vastgesteld met als doel “haar leden te helpen bij het
bepalen van een, voor hun praktijkvoering, reëel tarief per zitting”.
Zoals vermeld in randnummer 62, bevat het rekenvoorbeeld van de LVE
concrete normbedragen voor het inkomen, de praktijkkosten en het
jaarlijkse aantal zittingen voor een “ideale” praktijk voor
eerstelijns psychologie, resulterend in een “normtarief” van EUR 75.
De bij de LVE aangesloten eerstelijns psychologen wordt het hierdoor
mogelijk gemaakt met redelijke mate van zekerheid te voorspellen wat
de prijspolitiek van concurrerende eerstelijns psychologen aangesloten
bij de LVE zal zijn. Dit betekent dat het rekenvoorbeeld van de LVE
tot doel heeft het gedrag van de leden ten aanzien van tarieven te
uniformeren. Het rekenvoorbeeld strekt derhalve tot een beperking van
de mededinging in de zin van artikel 6 Mw.
130. Ten overvloede wordt nog het volgende opgemerkt. De d-g NMa acht
het aannemelijk dat de gevolgen van dergelijke concurrentiebeperkingen
hogere prijzen zijn en een verminderde prikkel tot kostenbesparing en
tot klantgerichtheid. Dit gaat direct ten koste van de afnemers. Ook
indien sprake is van heterogene diensten van zelfstandige aanbieders
is het van belang dat iedere aanbieder zijn prijs onafhankelijk van
andere aanbieders bepaalt, zodat het tarief de specifieke
omstandigheden en de specifieke dienst van deze aanbieder reflecteert.
Hiermee kunnen individuele aanbieders juist het kwaliteitsniveau van
hun dienstverlening waarborgen en tegelijkertijd dingen om de gunst
van de cliënt. De d-g NMa volgt de argumentatie van de voorzitter van
de NVVP, dat prijsconcurrentie tussen aanbieders van psychotherapie
tot een maatschappelijk onverantwoorde situatie leidt (zie randnummer
119), dan ook niet. Overigens, zelfs al mocht prijsconcurrentie tussen
aanbieders tot een maatschappelijk onverantwoorde situatie leiden, dan
is het in ieder geval niet aan ondernemingsverenigingen maar aan de
overheid om hier iets aan te doen.”
Merkbaarheid
“132. Naar schatting is ten minste 33% van de vrijgevestigde
psychologen bij het NIP aangesloten. Naar schatting circa 60% van de
eerstelijns psychologen is aangesloten bij de LVE. Minimaal 60% van de
vrijgevestigde psychotherapeuten is bij de NVP aangesloten. Naar
schatting is ten minste circa 60% van de vrijgevestigde
psychotherapeuten bij de NVVP aangesloten. Reeds op basis van deze
aandelen kan worden geconcludeerd dat de betrokken gedragingen van het
NIP, de LVE, de NVP en de NVVP hoe dan ook merkbaar de mededinging
beperken.
133. Bovendien moet voor wat betreft het NIP, de NVP en de NVVP worden
opgemerkt dat de adviestarieven voor psychotherapie in het kader van
het Platform worden vastgesteld. Daarmee spreken de belangrijkste
verenigingen voor psychotherapie dezelfde adviestarieven af. Voor wat
betreft de NVP en de NVVP kan nog worden toegevoegd dat diverse
aanbieders van psychotherapeutische diensten op hun websites aangeven
dat zij de adviestarieven zoals vastgesteld in het Platform als
maatgevend beschouwen. In het licht van het voorgaande kan in ieder
geval niet worden gesteld dat er sprake is van een zeer geringe
inbreuk.
134. Meer specifiek valt ten aanzien van het NIP en de LVE nog het
volgende op te merken.
135. Aannemelijk is dat de onderzochte gedragingen, in tegenstelling
tot wat het NIP in haar zienswijze naar voren brengt, ook in de
praktijk een (coördinerend) effect hebben op de door de leden van het
NIP gehanteerde tarieven. Er zijn sterke aanwijzingen dat de leden van
het NIP de adviestarieven daadwerkelijk hanteren dan wel als een
belangrijk handvat zien om haar tarieven te bepalen. Dit blijkt onder
meer uit [een interne e-mail].
136. Diverse aanbieders van psychologische en psychotherapeutische
diensten geven bovendien op hun websites aan dat zij de adviestarieven
van het NIP als maatgevend beschouwen.
137. Over de telefonische enquête van het NIP, welke zij naar
aanleiding van het rapport onder haar leden heeft gehouden, kan het
volgende worden opgemerkt. Aan de enquête kan weinig waarde worden
gehecht. Zo is de enquête door het NIP zelf opgesteld en uitgevoerd,
er is geen onderzoeksverantwoording bijgesloten en is de enquête onder
een beperkt aantal leden gehouden en zijn de enquetevragen telefonisch
gesteld zonder dat een vast script is gevolgd. Van de door het NIP
geënquêteerde leden antwoordt een relatief gering deel de
adviestarieven strikt toe te passen en blijkt uit de reacties van de
betreffende leden dat een aanzienlijk aantal de adviestarieven
gebruikt ter oriëntatie en toetsing van de eigen tarieven.
138. Aannemelijk is dat ook de onderzochte gedragingen van de LVE in
de praktijk een (coördinerend) effect hebben gehad op de door
eerstelijns psychologen gehanteerde tarieven. Er zijn sterke
aanwijzingen dat de leden van de LVE de adviestarieven daadwerkelijk
hanteren. In dit verband kan onder meer worden gewezen op het
onderzoeksrapport De markt voor psychologische zorg –
deelmarktanalyse, dat door KPMG is opgesteld in opdracht van het
ministerie van VWS. Op pagina 103 van eerdergenoemd onderzoeksrapport
wordt hierover echter in de paragraaf ‘Betaalbaarheid’ het volgende
gezegd:
“Meting en realisatie
[…]. Het adviestarief voor eerstelijns psychologen is EUR 75,-.
Eerstelijns psychologen blijken veelal het adviestarief te hanteren en
niet te differentiëren op prijs.”
141. Diverse aanbieders van psychologische diensten geven op hun
website aan dat zij de adviestarieven van de LVE als maatgevend
beschouwen.
142. De door de LVE ingebrachte enquête, welke naar aanleiding van het
rapport onder haar leden heeft gehouden, weerlegt het voorgaande in
ieder geval niet. [...] De LVE stelt dat circa 60% van de
respondenten in de praktijk een ander tarief hanteert dan het
adviestarief van EUR 75 en trekt (deels) op basis hiervan de conclusie
dat de leden wel degelijk zelf hun tarieven vaststellen en er geen
sprake kan zijn van een merkbare mededingingsbeperking. Uit de enquête
blijkt evenwel dat 40% van de respondenten het (advies)tarief van EUR
75 hanteert.”
Conclusie
“143. De betrokken gedragingen strekken ertoe en hebben tot gevolg dat
de mededinging wordt beperkt en zijn derhalve in strijd zijn met het
verbod van artikel 6, eerste lid, Mw. De d-g NMa concludeert dat het
NIP, de LVE, de NVP en de NVVP het kartelverbod hebben overtreden.
144. Het NIP heeft artikel 6 Mw overtreden door vanaf 1 januari 1998
tot 2 oktober 2003 haar vrijgevestigde leden te adviseren over de door
hen te hanteren tarieven voor psychotherapie. Tevens heeft het NIP
artikel 6 Mw overtreden door vanaf 22 september 2000 tot de
vaststelling van het rapport op 2 oktober 2003 haar vrijgevestigde
leden te adviseren over de door hen te hanteren tarieven voor
psychologische diensten anders dan psychotherapie.
145. De LVE heeft artikel 6 Mw overtreden door vanaf 1 januari 1998
tot 2 oktober 2003 haar leden te adviseren over de door hen te
hanteren tarieven.
146. De NVP heeft artikel 6 Mw overtreden door vanaf 1 januari 1998
tot en met december 2002 haar vrijgevestigde leden te adviseren over
de door hen te hanteren tarieven.
147. De NVVP heeft artikel 6 Mw overtreden door vanaf 1 januari 1998
tot 2 oktober 2003 haar vrijgevestigde leden te adviseren over de door
hen te hanteren tarieven.”
Boete
D-g NMa past Richtsnoeren Boetetoemeting niet toe
“163. Met het oog op een transparante toepassing van zijn in artikel
56 Mw neergelegde discretionaire bevoegdheid, heeft de d-g NMa op 19
december 2001 Richtsnoeren boetetoemeting vastgesteld en
bekendgemaakt. [...] Bij ondernemersverenigingen dient de
betrokken omzet van de daarvan deeluitmakende ondernemingen in
aanmerking te worden genomen. De dg NMa past de Richtsnoeren
boetetoemeting echter in dit geval niet toe aangezien, zoals hierna
zal worden toegelicht, in dit geval onverkorte toepassing tot evidente
onbillijkheid zou leiden.”
Enst van de overtreding (zware overtredingen; rekenfactor zou
(bij toepassing Boeterichtsnoeren) 0,2 zijn)
“165. De besluiten van de betrokken brancheverenigingen zien op
prijzen en dienen om deze reden ten minste als zware overtredingen te
worden aangemerkt. Onder omstandigheden kunnen er redenen zijn om
dergelijke besluiten aan te merken als zeer zware overtredingen.
Dergelijke omstandigheden doen zich in het onderhavige geval niet
voor. In dit verband hecht de d-g NMa onder meer waarde aan de
omstandigheid dat de betrokken besluiten, welke een niet-bindend
karakter hebben, plaatsvinden binnen het raamwerk van vele andere
activiteiten ten behoeve van de leden, die partijen als
brancheverenigingen gerechtigd (waren en) zijn uit te voeren. Voorts
geldt wat betreft de individuele leden geldt dat zij lid zijn van en
daarmee betrokken bij het NIP, de LVE, de NVP en de NVVP als
ondernemersverenigingen die zich schuldig hebben gemaakt aan
mededingingsrechtelijke overtredingen, doch ten aanzien van de
totstandkoming van de betrokken besluiten van het NIP, de LVE, de NVP
en de NVVP geldt dat hen geen individuele rol van betekenis kan worden
toegeschreven. Evenmin is uit de feiten naar voren gekomen dat de
verenigingen een forum zouden vormen voor een met het kartelverbod
strijdige onderlinge afstemming tussen bepaalde leden.
166. Voor de vaststelling van de hoogte van de boete is in dit geval
voorts het volgende van belang. Partijen zijn brancheverenigingen met
vele leden. De gedragingen waarmee zij de Mw hebben overtreden,
betreffen besluiten in de vorm van niet-bindende beslissingen,
“aanbevelingen” aan hun leden, waarvan het de bedoeling c.q. de wil
van de betrokken ondernemersvereniging was dat ze door de leden zouden
worden opgevolgd. Niet is gebleken dat de betrokken
ondernemersverenigingen, anders dan het doen van de
prijsaanbevelingen, dwang hebben uitgeoefend of erop aan hebben
gedrongen bij de leden de adviestarieven te hanteren.
167. Bij het bepalen van de ernst van de overtreding houdt de d-g NMa
rekening met de economische context waarin de overtreding heeft
plaatsgevonden.
168. Ten aanzien van de effecten van de adviestarieven kan worden
verwezen naar hetgeen is overwogen in randnummers 131 tot en met 142.
Hieruit blijkt, naar de mening van de d-g NMa, van coördinerende c.q.
mededingingsbeperkende effecten in de praktijk die hun weerslag hebben
op de prijsstelling en prijzen voor de desbetreffende psychologische
en psychotherapeutische dienten. Naar aanleiding van hetgeen partijen
naar voren hebben gebracht, acht de d-g NMa het echter niet
onaannemelijk dat de negatieve economische impact van de betrokken
besluiten beperkt is (geweest).
169. Een en ander in aanmerking nemend zou de d-g NMa bij toepassing
van de Richtsnoeren boetetoemeting een rekenfactor van 0,2 aangewezen
achten.”
Vaststelling van de hoogte van de boete
“170. De d-g NMa zou bij onverkorte toepassing van de Richtsnoeren
boetetoemeting van de betrokken omzet een schatting kunnen maken
indien deze niet op basis van de verstrekte informatie kan worden
bepaald. De d-g NMa heeft voor de betrokken ondernemingen van elk van
de ondernemersverenigingen, de duur van de overtreding in aanmerking
nemend, vastgesteld dat de betrokken omzet minimaal op EUR 250 miljoen
voor het NIP, EUR 264 miljoen voor de LVE, EUR 108 miljoen voor de NVP
en EUR 124 miljoen voor de NVVP moet worden geschat. Gelet op het
navolgende kan in het onderhavige geval met deze schatting van de
betrokken omzet worden volstaan.
171. Hoewel een van de bovenstaande omzet afgeleide boete recht zou
doen aan de omvang van de economische activiteiten, die door de
mededingingsrechtelijke overtredingen zijn geraakt en langs welke weg
de potentiële schade aan de mededinging is toegebracht, zou onverkorte
toepassing van de Richtsnoeren boetetoemeting in het onderhavige geval
naar de mening van de d-g NMa leiden tot een evident onbillijke
uitkomst. Hierbij wordt mede gelet op het type overtreding, die als
zwaar wordt gekwalificeerd en niet als zeer zwaar, en op het feit dat
het hier ondernemersverenigingen betreft waarbij de door de leden
gegenereerde totale omzet hoog is, doch welke leden, zoals hierboven
is aangegeven, geen individuele rol van betekenis kan worden
toegeschreven. De d-g NMa meent daarom dat ten aanzien van het NIP, de
LVE, de NVP en de NVVP oplegging van een in omvang aanzienlijk
beperktere boete is aangewezen, waarbij acht wordt geslagen op het
uitgangspunt van preventieve werking en het vereiste van
proportionaliteit.
172. Een en ander in aanmerking nemende wordt de boete vastgesteld op
EUR 240.000 voor het NIP, EUR 80.000 voor de LVE, EUR 55.000 voor de
NVP en EUR 70.000 voor de NVVP.
173. Naar het oordeel van de d-g NMa leidt oplegging van de genoemde
boetes niet tot onbillijkheid. Daarbij wordt niet alleen de huidige
financiële middelen van partijen, geïndiceerd door de omvang van de
jaarcontributie, welke voor de leden van het NIP, de LVE, de NVP en de
NVVP, op wie de adviestarieven betrekking hebben, achtereenvolgens EUR
947.000, EUR 319.000, EUR 232.732 en EUR 287.000 bedragen, in
aanmerking genomen, doch tevens het feit dat de brancheverenigingen
rechtstreeks invloed hebben op de eigen financiële positie door het
vaststellen van de hoogte van de jaarcontributie van de leden.
174. Ten slotte kan nog het volgende worden opgemerkt. De geschonden
norm komt duidelijk uit de wet (en de daarbij behorende toelichting)
en de ook al vóór 1998 geldende Europese beschikkingenpraktijk en
jurisprudentie naar voren. Enkele partijen verwijzen derhalve
tevergeefs naar de datum van publicatie van de Richtsnoeren Zorg.
Hierbij zien zij bovendien over het hoofd dat ruim een jaar eerder de
Richtsnoeren Samenwerking Bedrijven zijn gepubliceerd (zie daarin
randnummers 25, 55 en 56). Voor zover het door enkele partijen
gevoerde verweer met betrekking tot onbekendheid met, onduidelijkheid
van en extensieve interpretatie van de mededingingsrechtelijke
toelaatbaarheid van adviestarieven van ondernemersverenigingen is
bedoeld als een pleidooi voor het ontbreken van verwijtbaarheid en
daarmee voor het niet opleggen van een boete, wijst de d-g NMa dit
daarom af.”
Last onder dwangsom
Het NIP
“175. Ten aanzien van de adviestarieven van het NIP, inclusief
psychotherapeutische diensten, is het volgende van belang. Het NIP
heeft tijdens de hoorzitting desgevraagd gezegd geen prijsadviezen
meer te verstrekken, totdat meer duidelijkheid bestaat over het
standpunt van de d-g NMa. In de schriftelijke zienswijze heeft zij
aangegeven de adviestarieven van de website te hebben verwijderd en
geen folders met adviestarieven meer te verstrekken. De d-g NMa acht
het dan ook niet nodig maatregelen te treffen die ertoe dienen dat het
NIP zich in de toekomst zal onthouden van gedrag dat hetzelfde doel of
dezelfde werking heeft als de omschreven overtreding. Hierbij is het
passend haar de navolgende last onder dwangsom op te leggen op grond
van artikel 56, eerste lid, jo. 58, eerste lid, Mw.” [Zie hieronder
bij ‘Besluit’, onder b.]
De LVE
“177. De LVE heeft tijdens de hoorzitting desgevraagd verteld dat zij
het besproken rekenvoorbeeld niet van haar website heeft gehaald, maar
dat zij zich nog beraadde over wat voor 2004 moest gebeuren. De d-g
NMa acht het dan ook nodig maatregelen te treffen om zeker te stellen
dat de LVE zich in de toekomst zal onthouden van gedrag dat hetzelfde
doel of dezelfde werking heeft als de omschreven overtreding. Het is
derhalve passend haar een last onder dwangsom op te leggen op grond
van artikel 56, eerste lid, jo. 58, eerste lid, Mw.” [Zie hieronder
bij ‘Besluit’, onder c en d.]
De NVP
“180. Ten aanzien van de adviestarieven van de NVP is het volgende van
belang. De NVP heeft tijdens de hoorzitting desgevraagd gezegd geen
prijsadviezen meer te verstrekken. Voorts wordt de overtreding van de
NVVP vastgesteld tot en met december 2002, derhalve ongeveer een jaar
voor het opmaken van het rapport op 2 oktober 2003. De d-g NMa acht
het dan ook niet nodig maatregelen te treffen die ertoe dienen dat de
NVP zich in de toekomst zal onthouden van gedrag dat hetzelfde doel of
dezelfde werking heeft als de omschreven overtreding. Hierbij is het
passend haar de navolgende last onder dwangsom op te leggen op grond
van artikel 56, eerste lid, jo. 58, eerste lid, Mw.” [Zie hieronder
bij ‘Besluit’, onder e.]
De NVVP
“182. Ten aanzien van de adviestarieven van de NVVP is het volgende
van belang. De NVVP heeft tijdens de hoorzitting desgevraagd gezegd
geen prijsadviezen meer te verstrekken. Ook in haar schriftelijke
zienswijze heeft zij aangegeven zich voortaan te zullen onthouden van
het geven van tariefadviezen. De d-g NMa acht het dan ook niet nodig
maatregelen te treffen die ertoe dienen dat de NVVP zich in de
toekomst zal onthouden van gedrag dat hetzelfde doel of dezelfde
werking heeft als de omschreven overtreding. Hierbij is het passend
haar de navolgende last onder dwangsom op te leggen op grond van
artikel 56, eerste lid, jo. 58, eerste lid, Mw.” [Zie hieronder bij
‘Besluit’, onder f.]
184. Bij de vaststelling van de dwangsommen is rekening gehouden met
een redelijke verhouding tussen de dwangsom enerzijds en het
geschonden belang en de beoogde werking van de oplegging daarvan
anderzijds. De overtredingen betreffen het verstrekken van
daadwerkelijke, dan wel de facto adviestarieven door
ondernemersverenigingen die ertoe strekken de mededinging tussen de
leden te beperken. Met de last wordt beoogd een situatie te bereiken,
waarin de jarenlange praktijk van het vaststellen van adviesprijzen
door partijen wordt doorbroken, er geen nieuwe adviesprijzen zullen
worden vastgesteld en de leden van partijen zich niet meer richten
naar de reeds uitgevaardigde adviesprijzen; dit alles in
overeenstemming met hetgeen door de Mw wordt voorgeschreven.
185. Bij de vaststelling van de hoogte van de dwangsom is in
aanmerking genomen dat de dwangsom een daadwerkelijke prikkel dient te
zijn tot naleving van de last. De dwangsom is gerelateerd aan
toekomstige gedragingen, niet aan gedragingen in het verleden. De
hoogte van de dwangsom wordt niet bepaald door een verwijt dat de
geadresseerde al dan niet wordt gemaakt, maar door de beoogde werking
als prikkel tot naleving.
186. Het belang van de mededinging bij het opheffen, ex artikel 63,
lid 1, Mw, van de opschortende werking van bezwaar en beroep ten
aanzien van de opgelegde lasten onder dwangsom weegt zwaarder dan de
daar tegenover staande belangen van de desbetreffende
ondernemersvereniging. Deze opschortende werking wordt derhalve op
basis van artikel 63, lid 2, Mw opgeheven.”
Besluit
De d-g NMa:
a. legt de volgende boetes op:
NIP: EUR 240.000.
LVE: EUR 80.000.
NVP: EUR 55.000.
NVVP: EUR 70.000.
b. legt het Nederlands Instituut van Psychologen de navolgende last
onder dwangsom op:
het Nederlands Instituut van Psychologen zal al haar leden
schriftelijk binnen twee maanden nadat dit besluit aan haar is bekend
gemaakt, in niet voor meerdere uitleg vatbare bewoordingen en onder
verwijzing naar dit besluit mededelen dat zij haar praktijk van het
verstrekken van tariefadviezen wegens vastgestelde strijdigheid met de
Mw definitief beëindigt of heeft beëindigd. Binnen twee weken na
verzenden van deze mededeling dient het Nederlands Instituut van
Psychologen een afschrift hiervan, vergezeld van een verzendlijst, te
overleggen aan de d-g NMa;
voor iedere dag dat het Nederlands Instituut van Psychologen niet of
onvolledig aan de in de vorige alinea genoemde last voldoet, zal zij
een dwangsom verbeuren van EUR 500,- per dag; Het bedrag waarboven het
Nederlands Instituut van Psychologen geen dwangsom meer verbeurt,
bedraagt EUR 50.000,--;
c. legt de Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen de
volgende last onder dwangsom op:
de Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen dient zich
uiterlijk met ingang van vier weken na bekendmaking van dit besluit
aan haar definitief te onthouden van het ter beschikking stellen van
rekenvoorbeelden die uitkomen op een specifiek tarief, dan wel andere
uitingen met dezelfde of vergelijkbare uitkomst;
voor elke keer dat de Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen
na deze vier weken in strijd handelt met deze instructie, zal zij een
dwangsom verbeuren van EUR 50.000,-. Voor publicaties op internet in
strijd met deze instructie zal zij een dwangsom verbeuren van EUR
500,- per dag dat zij op internet uitingen doet in strijd met
bovengenoemde instructie. Het bedrag waarboven de Landelijke
Vereniging van Eerstelijnspsychologen geen dwangsom meer verbeurt,
bedraagt EUR 150.000,--;
d. legt de Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen de
navolgende last onder dwangsom op:
de Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen zal al haar leden
schriftelijk binnen twee maanden nadat dit besluit aan haar is bekend
gemaakt, in niet voor meerdere uitleg vatbare bewoordingen en onder
verwijzing naar dit besluit mededelen dat zij haar praktijk van het
verstrekken van tariefadviezen wegens vastgestelde strijdigheid met de
Mw definitief beëindigt of heeft beëindigd. Binnen twee weken na
verzenden van deze mededeling dient de Landelijke Vereniging van
Eerstelijnspsychologen een afschrift hiervan, vergezeld van een
verzendlijst, te overleggen aan de d-g NMa.
voor iedere dag dat de Landelijke Vereniging van
Eerstelijnspsychologen niet of onvolledig aan de in de vorige alinea
genoemde last voldoet, zal zij een dwangsom verbeuren van EUR 500,-
per dag. Het bedrag waarboven de Landelijke Vereniging van
Eerstelijnspsychologen geen dwangsom meer verbeurt, bedraagt EUR
50.000,--;
e. legt de Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie de navolgende
last onder dwangsom op:
de Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie zal al haar leden
schriftelijk binnen twee maanden nadat dit besluit aan haar is bekend
gemaakt, in niet voor meerdere uitleg vatbare bewoordingen en onder
verwijzing naar dit besluit mededelen dat zij haar praktijk van het
verstrekken van tariefadviezen wegens vastgestelde strijdigheid met de
Mw definitief beëindigt of heeft beëindigd. Binnen twee weken na
verzenden van deze mededeling dient de Nederlandse Vereniging voor
Psychotherapie een afschrift hiervan, vergezeld van een verzendlijst,
te overleggen aan de d-g NMa.;
voor iedere dag dat de Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie al
dan niet geheel aan de in de vorige alinea genoemde last voldoet zal
zij een dwangsom verbeuren van EUR 500,- per dag. Het bedrag waarboven
de Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie geen dwangsom meer
verbeurt, bedraagt EUR 50.000,--;
f. legt de Nederlandse Vereniging van Vrijgevestigde
Psychotherapeuten de navolgende last onder dwangsom op:
de Nederlandse Vereniging van Vrijgevestigde Psychotherapeuten zal al
haar leden schriftelijk binnen twee maanden nadat dit besluit aan haar
is bekend gemaakt, in niet voor meerdere uitleg vatbare bewoordingen
en onder verwijzing naar dit besluit mededelen dat zij haar praktijk
van het verstrekken van tariefadviezen wegens vastgestelde
strijdigheid met de Mw definitief beëindigt of heeft beëindigd. Binnen
twee weken na verzenden van deze mededeling dient het Nederlandse
Vereniging van Vrijgevestigde Psychotherapeuten een afschrift hiervan,
vergezeld van een verzendlijst, te overleggen aan de d-g NMa.;
voor iedere dag dat de Nederlandse Vereniging van Vrijgevestigde
Psychotherapeuten niet of onvolledig aan de in de vorige alinea
genoemde last voldoet zal zij een dwangsom verbeuren van EUR 500,- per
dag. Het bedrag waarboven de Nederlandse Vereniging van Vrijgevestigde
Psychotherapeuten geen dwangsom meer verbeurt, bedraagt EUR 50.000,--.
g. bepaalt dat artikel 63, lid 1, Mw niet geldt met betrekking tot de
onder b) tot en et f) bedoelde lasten onder dwangsom.
Volledig besluit |