“Gevolgen van de modernisering voor uw dagelijkse praktijk”, speech van P. Kalbfleisch t.b.v. seminar “Gevolgen Modernisering van het Mededingingsrecht” d.d. 13 mei 2004 georganiseerd door VNO-NCW i.s.m. Freshfields
Lezing
13 mei 2004

Lezing over gevolgen van de modernisering voor de dagelijkse praktijk.

Het zou raar zijn als, nadat in het verleden verleende ontheffingen wegens de wetswijziging zijn vervallen, de NMa t.a.v. deze in het verleden verleende ontheffingen plotseling een inbreuk op art. 6 Mw zou constateren (tenzij uiteraard de marktomstandigheden zijn gewijzigd). Dat zou moeilijk te rijmen zijn met het aspect “rechtszekerheid”. ~ Het afschaffen van de ontheffingsprocedure mag niet ten koste gaan van de rechtszekerheid. Vandaar dat de NMa in voorkomende gevallen bereid is de dialoog aan te gaan, transparant te zijn en zal trachten voldoende rechtszekerheid te geven. ~ De d-g NMa gaat in op informatie-uitwisseling, prijsadviezen door brancheverenigingen en inkoopmacht. ~ Mededingingsautoriteiten van EU-lidstaten zullen zowel niet-vertrouwelijke als vertrouwelijke gegevens uitwisselen. Wanneer de ontvangende autoriteit deze gegevens in een zaak gebruikt, zal die ontvangende autoriteit toetsen of daarbij geen gegevens openbaar worden gemaakt die naar hun aard onder de geheimhoudingsplicht vallen. ~ Er is in Vo. 1/2003 een bevoegdheid tot gegevensuitwisseling opgenomen en geen plicht. Indien de NMa reeds standpunten aan ondernemingen kenbaar heeft gemaakt, zal de NMa slechts informatie aan een andere mededingingsautoriteit verstrekken als die autoriteit garandeert het vertrouwelijkheidsstandpunt van de NMa te zullen respecteren. ~ In Vo. 1/2003 is het instrument ‘toezegging’ opgenomen. De d-g NMa is zeer gecharmeerd van dit instrument. Nationaal kennen we dit instrument nog niet, vandaar dat de NMa zich moet behelpen met de omweg van het ‘niet-uitbrengen’ van het rapport, indien aan bepaalde door de NMa te stellen of goed te keuren voorwaarden wordt voldaan. ~ Uitwisseling van gegevens die zijn verkregen n.a.v. een clementieaanvraag: Informatie van een clementieaanvrager zal niet vrijelijk worden uitgewisseld tussen de Europese Mededingingsautoriteiten en de Commissie zoals voorzien in art. 12 van Vo. 1/2003. Uitgangspunt is dat gegevens van een clementieaanvrager slechts ter kennis van andere mededingingsautoriteiten wordt gebracht indien de clementieaanvrager daar expliciet toestemming voor heeft gegeven. Dit is slechts anders indien (1) de clementieaanvrager voor dezelfde zaak ook clementie bij een andere autoriteit heeft aangevraagd; in dat geval kan de informatie zonder toestemming van de aanvrager met de andere autoriteit worden gewisseld; (2) een autoriteit die om de clementiegegevens verzoekt, schriftelijk verklaart, de betreffende gegevens en alle na het tijdstip van ontvangst van de gegevens verzamelde gegevens, niet te zullen gebruiken voor het sanctioneren van de clementieaanvrager. ~ Amicus curiae-interventies: Doelstelling van de NMa bij deze interventies is het bewaken van een coherente toepassing van art. 81 en 82 EG.
Uitgangspunt is dat de NMa zelf de regie in handen heeft bij amicus curiae-interventie en zij zal deze dan ook niet op verzoek van partijen indienen. De aard van de opmerkingen is het beantwoorden van rechtsvragen en geen beoordeling van de feiten (vgl. prejudiciële procedure). Na het wijzen van een vonnis wordt de interventie openbaar.

Modernisering - Wat houdt het in?

Europees
Ik zal eerst ingaan op de veranderingen in de Europese context.

1) Sinds 1 mei 2004 moeten alle lidstaten van de Europese Unie (EU) het Europese kartelverbod en het Europese verbod op misbruik van een economische machtspositie handhaven.

2) Ook is sinds 1 mei 2004 de mogelijkheid vervallen om een ontheffing voor mededingingsbeperkende afspraken met interstatelijk effect aan te vragen. Interstatelijk effect is aanwezig wanneer de handel tussen lidstaten wordt of kan worden beïnvloed. Dit is bijvoorbeeld het geval bij grensoverschrijdend economisch verkeer

3) Daar staat tegenover dat de uitzonderingsgrond van het Europese kartelverbod sinds 1 mei 2004 zogenaamde “rechtstreekse werking” heeft verkregen. Dit betekent dus dat sinds 1 mei 2004 er een ‘exception legale’ bestaat. Sinds 1 mei 2004 moeten ondernemingen zelf beoordelen of hun afspraken voldoen aan alle vier de uitzonderingscriteria van artikel 81, lid 3 EG-verdrag en in dat geval dus niet verboden zijn.

4) Daarnaast zijn sinds 1 mei 2004 een aantal bevoegdheden toegekend aan de Europese Commissie, zoals de mogelijkheid om inspecties te doen in privé-woningen, en aan het Netwerk, waaronder het uitwisselen van informatie, inclusief bedrijfsvertrouwelijke informatie. Ik kom daar later op terug.

Nationaal
Verordening 1/2003 zal ook nationaal geïmplementeerd moeten worden. Ook de NMa zal additionele bevoegdheden krijgen. Helaas heeft de stemming over de implementatie van Vo 1/2003, die gepland stond op 29 april, niet kunnen plaatsvinden. De stemming is verschoven naar een andere, nog niet vastgestelde datum.

Daarnaast is het voornemen van het kabinet om voor louter nationale mededingingbeperkende afspraken, dus zonder interstatelijk effect, de mogelijkheid een ontheffing aan te vragen te laten vervallen. Nationaal zal er dus ook een ‘exception legale’ worden ingevoerd. Meer specifiek zal artikel 17 van de Mededingingswet komen te vervallen. Ik heb begrepen dat er binnen uw gelederen onrust is ontstaan over het vervallen van in het verleden verleende ontheffingen door de NMa. Hoewel dit een typisch een wetgevend element betreft, waarvoor het Ministerie van Economische Zaken verantwoordelijk is, wil ik u reeds meedelen dat wat mij betreft de soep niet zo heet gegeten wordt als u wellicht vreest. Immers, het zou raar zijn als de NMa ten aanzien van in het verleden verleende ontheffingen plotseling een inbreuk op artikel 6 Mw zou constateren (tenzij uiteraard de marktomstandigheden zijn gewijzigd). Dat zou moeilijk te rijmen zijn met het aspect “rechtszekerheid”. [...]

1. Naleving
[...]
Brancheverenigingen
[...]
Gezien hun positie en contacten zijn zij optimaal gepositioneerd om hun leden te ondersteunen met betrekking tot mededingingsvraagstukken. Hierbij moet men in het bijzonder denken aan voorlichting door middel van het opstellen van brochures,
themadagen, verhelderende artikelen in branchebladen, informatielijnen, het opzetten van compliance programma’s, clementie-ondersteuning, etc. Dit zijn allemaal activiteiten die naar mijn mening tot de core business behoren van brancheverenigingen. Daarnaast doe ik hier de toezegging dat, indien gewenst natuurlijk, medewerkers van NMa workshops komen verzorgen voor de leden van VNO-NCW over specifieke thema’s.

2. Transparantie
[...] U bent zelf verantwoordelijk voor de naleving van de Mededingingswet en derhalve moet u “uw huiswerk” goed doen.
[...]


Het afschaffen van de ontheffingsprocedure zorgt voor een verlichting van de administratieve lasten. Dit is een groot voordeel voor u. Ik begrijp echter volkomen dat dit niet ten koste mag gaan van de rechtszekerheid. Vandaar dat de NMa in voorkomende gevallen bereid is de dialoog met u aan te gaan, transparant te zijn en zal trachten u voldoende rechtszekerheid te geven. [...]

Naast de transparantie die voortvloeit uit openbare bronnen dan wel betrekking heeft op staand beleid, hebben brancheverenigingen of andere overkoepelende organisaties de mogelijkheid contact op te nemen met de NMa en met name het MKB c.q. ondernemersloket en de informatielijn. Bij dergelijke contacten kunnen ambtenaren van de NMa wijzen op bepaalde risico’s die verbonden zijn aan voorgenomen regelingen. Zoals ik al aangaf bestaat er geen NMa-keurmerk of wordt er geen NMa stempel uitgedeeld, maar in dergelijke gesprekken wordt u gewezen op mogelijke aandachtspunten en risico’s van regelingen, contracten of gedragingen. Daarbij proberen we u zo helder en concreet mogelijk van advies te dienen en suggesties aan de hand te doen. Onze eerste vraag zal echter altijd zijn: “Wat heeft u zelf al gedaan of onderzocht?” Een aantal organisaties heeft al van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

Transparantie - wat mag wel onder de Mededingingswet
Een veelgehoorde klacht is dat de NMa (en de Richtsnoeren samenwerking bedrijven) slechts zouden aangeven “wat er niet mag onder de Mededingingswet”. Nu is het in het algemeen zo dat de NMa door duidelijk aan te geven wat niet mag, natuurlijk (impliciet) duidelijkheid geeft over wat wel mag.

Feitelijk mag er zeer veel binnen het Mededingingsrecht. U mag bijvoorbeeld afspraken maken om bepaalde milieudoelstellingen te bereiken. Daarbij mag u echter geen afspraken maken over de elementaire concurrentieparameters prijs en hoeveelheid. U mag dus niet onderling afspreken dat u bepaalde milieudoelstelling nastreeft en daarbij ‘en passant’ afspreken dat u één gezamenlijk tarief hanteert. De regels omtrent milieudoelstellingen vinden wij vaak prima. De prijsafspraak niet, omdat deze in de regel niet noodzakelijk is voor het kunnen bewerkstellingen van de milieudoelstelling. Helaas komen wij vaak dergelijke ‘en passant’ afspraken tegen in op zichzelf zeer goede en nobele regelingen. In het Mededingingsrecht mag u ook regels stellen om de kwaliteit van uw branchevereniging te behouden. De regels moeten dan objectief en transparant zijn en non-discriminatoir worden toegepast. U mag dus wel een beunhaas uitsluiten, maar niet een onderneming wiens kwaliteit volledig voldoet aan uw eisen. Zeker niet als het keurmerk van de vereniging van ‘levensbelang’ is voor het kunnen opereren op de markt, bijvoorbeeld, omdat afnemers geen zaken doen met ondernemers zonder keurmerk. U begrijpt dat u op deze wijze de eerlijke concurrentie op oneerlijke gronden kunt frustreren.

Ik wil u enkele concrete voorbeelden geven waarover veel vragen bestaan. In de eerste plaats betreffende informatie-uitwisseling. Het verzamelen, bewerken en verspreiden van marktgegevens door een externe onafhankelijke organisatie (die dus niet zelf op de betrokken markt actief is), waaruit het marktgedrag van de individuele deelnemende ondernemingen niet valt te herleiden (= anonimiteit), zal in het algemeen zijn toegestaan onder de Mededingingswet. Een ander aspect betreffende informatieuitwisseling is de actualiteitswaarde van de gegevens bij informatie-uitwisseling. Hoewel dit natuurlijk per branche zeer verschillend kan zijn, kunt u zich voorstellen dat hoe recenter de uitgewisselde gegevens zijn, des te gevoeliger dit voor de concurrentie is! Echter, indien gegevens ouder zijn dan twaalf maanden, mag dit in principe binnen de kaders van de Mededingingswet.

Ten tweede wil ik u een voorbeeld geven uit de hoek van de brancheverenigingen, te weten (horizontale) prijsadviezen. Recentelijk heb ik nog een besluit genomen met betrekking tot het Nederlands Tandtechnisch Genootschap. Duidelijk is dat beroepsorganisaties geen tarieven mogen aanbevelen die betrekking hebben op verkoopprijzen en van toepassing zijn op alle ondernemingen, ongeacht hun eigen kostprijsstructuur. Een ondernemersvereniging mag echter wel informatie verstrekken aan haar leden om het hen eenvoudiger te maken hun kostprijsberekening uit te voeren.

Ter derde wil ik ook graag transparant zijn over inkoopmacht. Vanuit de samenleving bereiken ons regelmatig geluiden dat er sprake zou zijn van het uitbuiten van kleine leveranciers door grote retailers met inkoopmacht. Wij weten dat dit speelt in de zorgsector en de supermarktenwereld. Om eerlijk te zijn: deze signalen zijn vaak algemeen geformuleerd en niet goed onderbouwd. Zoals u wellicht weet is inkoopmacht een onderdeel van de NMa agenda 2004. Ik roep u dan ook op zich met uw concrete klachten over inkoopmacht bij mij te melden! De NMa heeft er belang bij gevoed te worden met concrete problemen die u tegenkomt in de markten waarop u opereert.

3. Handhaving
[...]
Handhaving en Joint investigation
Door Modernisering zal de handhaving door de NMa verder versterken. Zo kan sinds 1 mei vergaand worden samengewerkt met mededingingsautoriteiten van andere lidstaten binnen het zogenaamde European Competition Network. Dit is het netwerk waarbinnen de met de Modernisering ingezette decentrale handhaving van de artikelen 81 en 82 van het EG-verdrag uitvoering zal krijgen. Deze samenwerking betreft onder andere de mogelijkheid om de mededingingsautoriteit van een andere lidstaat te verzoeken op zijn grondgebied inspecties of andere onderzoeksactiviteiten te verrichten en het aldus verzamelde materiaal aan de verzoekende autoriteit over te dragen. Daarmee wordt de arm van de handhaver verlengd tot in principe alle lidstaten van de Europese Unie. Deze nieuwe mogelijkheid sluit aan bij het steeds internationaler opereren van het bedrijfsleven.

Gegevensuitwisseling en vertrouwelijke gegevens
Daarnaast zullen de mededingingsautoriteiten van de verschillende lidstaten elkaar informeren over lopende onderzoeken en waar mogelijk of zelfs noodzakelijk samenwerken. In dat kader geeft de nieuwe Raadsverordening de Mededingingsautoriteiten van de lidstaten en de Commissie de bevoegdheid elkaar voor de toepassing van de artikelen 81 en 82 van het EG-verdrag van gegevens te voorzien en deze als bewijsmiddel voor de toepassing van artikel 81 en 82 van het EG-verdrag te gebruiken. Deze bevoegdheid tot gegevensuitwisseling heeft met name bij de mededingingsadvocatuur de nodige vragen opgeroepen die alle als kernpunt hebben de vraag: hoe wordt de bescherming van bedrijfsvertrouwelijke gegevens in een dergelijk systeem van gegevensuitwisseling gewaarborgd? Ik zal hierop kort ingaan.

Voorop staat dat zowel vertrouwelijke als niet-vertrouwelijke gegevens zullen worden uitgewisseld. De verordening spreekt van “alle gegevens ….. met inbegrip van vertrouwelijke inlichtingen”. Wanneer de ontvangende autoriteit deze gegevens ook daadwerkelijk in een zaak gebruikt, bijvoorbeeld in een rapport waarin een vermoeden van een inbreuk op artikel 81 of 82 EG-verdrag is neergelegd of in een sanctiebesluit, dan zal op dat moment de ontvangende (of moet ik nu spreken van de gebruikende) autoriteit toetsen of daarbij geen gegevens openbaar worden gemaakt die naar hun aard onder de geheimhoudingsplicht vallen. Met name gaat het dan om bedrijfsvertrouwelijke gegevens. Deze toets wordt dus verricht door de ontvangende autoriteit en niet door de autoriteit die, gebruik makend van zijn bevoegdheden, deze gegevens bij een onderneming heeft verkregen. Concreet zullen Nederlandse ondernemingen dus te maken krijgen met vertrouwelijkheidtoetsen door bijvoorbeeld het Bundeskartellamt of het Office of Fair Trading.

De vraag dringt zich op in hoeverre hierbij nog een rol is weggelegd voor de NMa? De NMa zal in sommige gevallen al met ondernemingen hebben gecorrespondeerd over de vertrouwelijkheid van bepaalde gegevens en daar mogelijk al standpunten over hebben ingenomen. Mijn antwoord op die vraag is dat er zeer zeker een rol is weggelegd voor de NMa. Er is in de Verordening namelijk een bevoegdheid tot gegevensuitwisseling opgenomen en geen plicht. Indien de NMa van andere autoriteiten verzoeken ontvangt om gegevens te verstrekken en ten aanzien van de vertrouwelijkheid van deze gegevens heeft de NMa reeds standpunten naar ondernemingen kenbaar gemaakt, dan zal deze informatie alleen dan verstrekt worden als de verzoekende autoriteit garandeert het vertrouwelijkheidstandpunt van de NMa te zullen respecteren. Op deze wijze kunnen wij het op dit punt door ons bij ondernemingen opgewekt vertrouwen rondom de vertrouwelijkheid van gegevens gestand doen. Dat wil overigens niet zeggen dat de NMa verantwoordelijk is voor de wijze waarmee de ontvangende autoriteit uiteindelijk met de vertrouwelijkheid omgaat.

De toezegging
Dan iets nieuws. De Commissie heeft in de Verordening opgenomen het instrument “Toezegging”. Dit instrument komt er kortweg op neer dat wanneer er zeer sterke aanwijzingen zijn dat een onderneming de mededingingsregels overtreedt, de Commissie zijn bedenkingen hierover aan de betrokken onderneming kenbaar maakt en de onderneming uitnodigt om aan te geven hoe zij hieraan een eind denkt te maken. Deze toezeggingen van de onderneming worden vervolgens door de Commissie omgezet in een toezeggingsbesluit. Indien de onderneming zich vervolgens niet houdt aan deze toezeggingen is die vaststelling op zich reeds voldoende basis om een boete op te leggen. Overigens kunnen derden, als zij daardoor daadwerkelijk hinder of schade ondervinden, bij niet naleving met het besluit ook naar de rechter stappen.

Ik ben zeer gecharmeerd van dit instrument. Het biedt de toezichthouder de mogelijkheid het door hem gewenste effect (beëindiging van een waarschijnlijke inbreuk op de mededingingsregels) te bereiken zonder dat daarvoor de administratief belastende weg van een rapport met aansluitend een sanctiefase behoeft te worden doorlopen. Hierdoor komt weer tijd vrij om andere kartels op te sporen. Daarnaast zal het toezeggingbesluit openbaar worden gemaakt, waardoor het handelen van de toezichthouder transparant, toetsbaar en voor soortgelijke gevallen richtinggevend is. Voor de onderneming in kwestie leidt het tot een verlichting van de administratieve lasten. De onderneming hoeft niet het administratief belastend en nu eenmaal langdurige traject van rapport, sanctie, bezwaar en beroep te doorlopen, maar is in staat zelf de naleving ter hand te nemen. Nationaal kennen we dit instrument nog niet, vandaar dat we ons moeten behelpen met de omweg van het “niet-uitbrengen” van een rapport, indien aan bepaalde door de NMa te stellen of goed te keuren voorwaarden wordt voldaan. Recentelijk kunt u denken aan de problematiek met betrekking tot de “mobiele afwikkeltarieven”, dat wil zeggen het bedrag dat een belbedrijf in rekening brengt voor het afleveren van telefoonverkeer op het eigen netwerk. Gezien het feit dat de mobiele belbedrijven de afwikkeltarieven fors hebben verlaagd, heeft de NMa haar onderzoek naar de mogelijk excessieve tarieven gestaakt.

Amicus curiae-interventies
Een ander nieuw punt betreft de zogenaamde amicus curiae-interventies. Doelstelling van de NMa bij amicus curiae-interventies is het bewaken van een coherente toepassing van art. 81 en 82 EG. Uitgangspunt is dat de NMa zelf de regie in handen heeft bij amicus curiae-interventie en zij zal deze dan ook niet op verzoek van partijen indienen. De aard van de opmerkingen is het beantwoorden van rechtsvragen en geen beoordeling van de feiten (vgl. prejudiciële procedure). Na het wijzen van een vonnis wordt de interventie openbaar.
[...]
Clementie en gegevensuitwisseling nationaal en Europees
Voordat ik ga afsluiten wil ik nog de verhouding aan de orde brengen tussen het aanvragen van clementie en het uitwisselen van gegevens binnen het ECN. De vraag is of de Modernisering gevolgen heeft voor de bescherming van de clementieaanvrager? Ik kan u verzekeren dat binnen het ECN stevige onderhandelingen zijn gevoerd over de positie van clementieaanvragers in relatie tot de bevoegdheid van Mededingingsautoriteiten en de Commissie om onderling informatie uit te wisselen. De uitkomst is een solide bescherming van de positie van de clementieaanvrager, ook in Europees verband. Informatie van een clementieaanvrager zal niet vrijelijk worden uitgewisseld tussen de Europese Mededingingsautoriteiten en de Europese Commissie zoals voorzien in artikel 12 van de Verordening. Clementieaanvragers genieten speciale bescherming op dit gebied.

In de bekendmaking over samenwerking binnen het ECN zijn hierover de volgende uitgangspunten neergelegd:
Uitgangspunt is dat gegevens van een clementieaanvrager slechts ter kennis van andere mededingingsautoriteiten wordt gebracht indien de clementieaanvrager daar expliciet toestemming voor heeft gegeven;
Dit is slechts anders indien:
1. De clementieaanvrager voor dezelfde zaak ook clementie bij een andere autoriteit heeft aangevraagd; in dat geval kan de informatie zonder toestemming van de aanvrager met de andere autoriteit worden gewisseld;
2. Een autoriteit die om de clementiegegevens verzoekt, schriftelijk verklaart, de betreffende gegevens en alle na het tijdstip van ontvangst van de gegevens verzamelde gegevens, niet te zullen gebruiken voor het sanctioneren van de clementieaanvrager.
Een aantal weken geleden heb ik samen met vele andere Europese Mededingingsautoriteiten een verklaring getekend waarin is neergelegd dat de NMa zich zal houden aan de spelregels neergelegd in de bekendmaking over samenwerking binnen het ECN en dan met name waar het betreft de extra bescherming voor clementieaanvragers.

Slot
Wat was nou mijn boodschap vanmiddag voor u?
1. Er mag veel onder de Mededingingswet!
2. Self-assessment is belangrijk en is nóg belangrijker sinds de Modernisering van 1 mei.
3. De NMa is transparant in wat er wel en niet mag onder de Mededingingswet. Wij faciliteren u om een goede self-assessment te kunnen maken. Daarbij zijn wij evenwel geen adviesbureau dat goedkeurende verklaringen afgeeft. Het beleid ten aanzien van schriftelijke (individuele) informele zienswijzen is “ja, mits”, dus zeer terughoudend.
4. U kunt in procedures bij de NMa uw voordeel doen als u uw gedegen self-assessment kunt laten zien. Daarbij teken ik aan dat dat het geval is bij zaken die in het (licht) grijze gebied van de Mededingingswet liggen, niet bij inktzwarte hard-core prijsafspraken en marktverdelingen.
5. Ik hoop tenslotte de (mogelijk) ontstane onrust te hebben weggenomen over het vervallen van in het verleden door de NMa verleende ontheffingen. Het zou in ieder geval indruisen tegen de “rechtszekerheid” indien de NMa ten aanzien van in het verleden verleende ontheffingen plotseling een inbreuk op artikel 6 Mw zou constateren (tenzij uiteraard de marktomstandigheden sterk zijn gewijzigd).”

In deze lezing is een aantal onderwerpen aan de orde gekomen die ook in de lezing van P. Kalbfleisch d.d. 8 april 2004 “Het belang van brancheverenigingen” voor MKB-Nederland aan de orde zijn gekomen. Deze onderwerpen zijn in bovenstaande samenvatting niet opgenomen, aangezien zij reeds in de samenvatting van die lezing zijn opgenomen.

Volledige lezing

Copyright Amilla