|
Kamervragen, met antwoord, over prijzenslag
supermarkten, betalingstermijn en rol NMa
Vragen van het lid Atsma (CDA) aan de minister van Economische Zaken
over prijzenslag supermarkten, betalingstermijn en rol NMA (ingezonden
10 maart 2004) en het antwoord van de minister van Economische Zaken
Ontvangen 26 maart 2004
Kamervragen met antwoord II 2003-2004, 1207
Vraag 1
“Kent u het artikel «NMA-topman: leveranciers hebben keuze tussen
verschillende afnemers?»”
Antwoord
“Ja.”
Vraag 2
“Is door de NMA aangegeven dat het in het algemeen goed is dat
supermarkten in het kader van de prijzenslag betalingstermijnen
opschroeven? Zo ja, deelt u die mening? Welke gevolgen heeft dit als
in andere sectoren, branches en bij bijvoorbeeld overheden
betalingstermijnen op soortgelijke wijze worden opgerekt?”
Antwoord
“De NMa geeft in het artikel aan dat stevige concurrentie in beginsel
positief is. Het bevestigt dat supermarkten vechten om de gunsten van
hun klanten, de consumenten. De consument plukt daar de vruchten van.
De NMa is belast met de uitvoering van de Mededingingswet en daarmee
met het toezicht op de naleving van het verbod op misbruik van
economische machtspositie. In dit kader geeft de NMa aan voorshands
geen reden te hebben om aan te nemen dat het opschroeven van de
betalingstermijn in strijd komt met het mededingingsrecht. Stevige
concurrentie tussen, en als gevolg daarvan efficiencyprikkels voor
supermarkten, komen in beginsel de consument ten goede. Uiteraard mag
het niet zo ver gaan dat andere wettelijke normen worden geschonden.
Het artikel roept daar ook niet toe op.
Zolang de termijnen voor betaling vallen binnen het wettelijk kader
van de Richtlijn betreffende bestrijding van betalingsachterstanden
(Rl. 220/35, Pb 8.8.200 L200/35, 545 en 561), die in beginsel een
termijn van 30 dagen voorschrijft, dan is het opschroeven van de
betalingstermijn – ook in andere sectoren – op basis van het Europese
recht toegestaan.”
Vraag 3
“Hoe verhoudt zich het opschroeven van een betalingstermijn tot de
Europese richtlijn van 29 juni 2000, die beoogt in het kader van de
goede werking van de interne markt buitensporige betalingstermijnen
tegen te gaan en een termijn van 30 dagen als wenselijk omschrijft
(Rl. 200/35, Pb 8.8.200 L200/35, Staatsblad 2002, 545 en 561)?”
Antwoord
“Sinds 8 augustus 2002 is de Nederlandse rechter gehouden zoveel
mogelijk de regels uit de richtlijn toe te passen. Deze richtlijn is
van toepassing op alle betalingen bij zowel binnenlandse als
grensoverschrijdende handelstransacties. De richtlijn is in Nederland
geïmplementeerd in de artikelen 3:92a, 6:119a en 6:120 van het
Burgerlijk Wetboek. Het uitgangspunt van de richtlijn is een
betalingstermijn van 30 dagen voor handelstransacties. De richtlijn
laat op dit punt ruimte aan de lidstaten om in bepaalde gevallen af te
wijken van deze termijn en de betalingstermijn te verruimen tot
maximaal 90 dagen. De transacties zoals bedoeld in het eerder genoemde
artikel uit het Agrarisch Dagblad vallen onder het toepassingsgebied
van deze richtlijn en kunnen getoetst worden door de civiele rechter.”
Vraag 4
“Bent u bereid stappen te ondernemen en eventueel in overleg te treden
met de NMA, zodat leveranciers niet langer dan wenselijk hoeven te
wachten op hun betalingen?”
Antwoord
“De richtlijn betreffende bestrijding van betalingsachterstanden bij
handelstransacties ziet op verhoudingen tussen ondernemingen onderling
en wordt gehandhaafd via het privaatrecht. Indien ondernemingen een
privaatrechtelijk geschil hebben dienen zij naar de civiele rechter te
stappen. De NMa is krachtens de Mededingingswet belast met het
toepassen van de Mededingingswet. Voor zover het opschroeven van de
betalingstermijn resulteert in een inbreuk op het verbod op misbruik
van economische machtspositie is de NMa bevoegd. Ik heb op dit moment
van de NMa begrepen dat er geen reden is om aan te nemen dat er sprake
is van misbruik van economische machtspositie in de supermarktsector.
De NMa heeft – volgens de publiek bekendgemaakte NMa agenda 20041 –
als belangrijke prioriteit voor heel 2004 inkoopmacht. De NMa heeft
onder andere het verschijnsel inkoopmacht en de economische effecten
daarvan in onderzoek. Bij het starten van een concreet onderzoek in
een specifiek geval kijkt de NMa naar het betrokken economisch en
maatschappelijk belang, het consumenten belang, de ernst van de
overtreding en of optreden doelmatig dan wel doeltreffend zal zijn.” |