|
Enquête Bouwnijverheid; Verslag algemeen overleg over
o.m. de verstrekking van informatie tussen de NMa en het OM
Enquête Bouwnijverheid; Verslag algemeen overleg over onder meer de
verstrekking van informatie tussen de NMa en het openbaar ministerie
6 april 2004
Kamerstukken II 2003-2004, 28244, nr. 70
“Vragen en opmerkingen uit de commissies
Mevrouw Vos (GroenLinks) heeft grote problemen met de
inhoud van de brief van 20 februari 2004 (28 244, nr. 64) [zie
hier].
De brief van 10 maart 2004 van de minister van Economische Zaken (WJZ
4017217) lijkt strijdig met de brief van 20 februari en heeft haar
fractie verbaasd. Waarom is niet alle informatie meteen verstrekt?
Aan de Kamer is een regeling toegezegd die het voor bedrijven mogelijk
maakt om hun schaduwadministratie voor 1 mei 2004 in te leveren; doen
zij dat niet en wordt bij hen later toch een schaduwadministratie
aangetroffen, dan kunnen zij worden uitgesloten van opdrachten door de
rijksoverheid. Daarbij vindt de Kamer het van belang dat zowel de NMa
(Nederlandse mededingingsautoriteit) als het OM op basis van de
ingeleverde administraties onderzoek kan verrichten. In de brief van
20 februari vermeldt de regering echter dat de NMa een
geheimhoudingsplicht heeft voor gegevens omtrent een onderneming die
zij heeft verkregen in het kader van de uitvoering van haar wettelijke
taak. Die gegevens kunnen daardoor niet aan het OM worden doorgegeven,
wat juist niet de bedoeling was van de Kamer en wat in strijd lijkt
met de toezegging van de regering aan de Kamer. Het kan nooit de
bedoeling zijn dat de regering een regeling opstelt waardoor
bouwbedrijven die hun schaduwadministraties voor 1 mei 2004 inleveren,
wel boetes kunnen krijgen, maar worden uitgesloten van
strafvervolging.
In de brief van 10 maart lijkt het kabinet van koers te veranderen:
door de artikelen 160 en 162 van het Wetboek van Strafvordering zijn
openbare colleges en ambtenaren, evenals de NMa, in een aantal
gevallen zelfs verplicht om informatie door te geven aan het OM en ook
op basis van artikel 90 van de Mededingingswet (MW) kan in een aantal
gevallen informatie aan het OM worden doorgegeven. Het kabinet noemt
hierbij corruptie door ambtenaren, afpersing of omkoping van
ambtenaren en ernstige geweldsdelicten. Betekent dit dat bijvoorbeeld
valsheid in geschrifte of het vormen van een criminele organisatie
door bouwbedrijven niet leidt tot het verstrekken van gegevens aan het
OM? Mevrouw Vos vindt juist dat álle strafbare feiten die de NMa in de
dossier aantreft, aan het OM moeten kunnen worden doorgegeven. De
belastingdienst is immers ook verplicht om alle strafbare feiten te
melden aan het OM. De NMa zou op dezelfde wijze moeten opereren.
Bedrijven die zich bij de NMa melden, kunnen in aanmerking komen voor
de clementieregeling van de NMa, wat kan leiden tot een gematigde
boete en zelfs tot immuniteit. Is het juist dat ook de bedrijven die
zich niet voor 1 mei 2004 melden, in aanmerking komen voor de
clementieregeling? Dat lijkt haar geen goede zaak. Worden de bedrijven
die na 1 mei 2004 worden betrapt op het in bezit hebben van een
schaduwboekhouding op een lijst geplaatst? Hoe wil de regering de
uitsluiting van deze bedrijven vormgeven?
De gegevens van de informant waarover de Volkskrant begin maart
berichtte, zijn kennelijk wel aan het OM doorgegeven, terwijl volgens
de informant was afgesproken dat dit niet zou gebeuren. Welke
afspraken zijn hierover daadwerkelijk met de NMa gemaakt? De
klokkenluider die de administratie heeft ingeleverd, wordt met een
dilemma geconfronteerd omdat hij zelf door het OM als verdachte kan
worden gezien. Kan voor klokkenluiders geen speciale regeling worden
getroffen waardoor zij meer bescherming genieten dan anderen? Wordt de
boekhouding van Boele & Van Eesteren nog onderzocht of beperkt het OM
zich tot de acht projecten die voortvloeien uit de Bos-administratie?
Mevrouw Vos vindt dat ook nieuwe administraties moeten kunnen leiden
tot vervolging door het OM. Kan het kabinet in een overzicht aangeven
hoeveel financiële fraudezaken inmiddels zijn aangemeld en wat de
stand van zaken daarbij is?
De heer Depla (PvdA) vindt dat bedrijven die hun boekhouding
vrijwillig bij de NMa inleveren, niet mogen worden gevrijwaard van een
strafrechtelijke vervolging van gepleegde strafbare feiten. Uit de
brieven van de bewindslieden van 20 februari en 10 maart 2004 blijkt
naar zijn mening niet dat het OM geen eigenstandig onderzoek meer mag
doen als een bedrijf zijn schaduwboekhouding bij de NMa heeft
ingeleverd. Dat betekent dat het OM bij een gerede verdenking de
boekhouding bij het bedrijf of, als die is ingeleverd bij de NMa, bij
de NMa kan opvragen. Het enige dat de NMa niet mag, is de ingeleverde
schaduwboekhouding altijd en vrijwillig meteen doorgeven aan het OM.
Is deze redenering juist en als dat zo is, had dat dan niet
duidelijker in de brieven van de bewindslieden gezegd moeten worden?
Nu wekken deze brieven de indruk dat een bedrijf gevrijwaard wordt van
strafvervolging als het de schaduwboekhouding inlevert bij de NMa. Uit
artikel 162 Wetboek van Strafvordering blijkt immers dat strafbare
feiten gepleegd door ambtenaren, moeten worden doorgegeven aan het OM,
maar als bedrijven strafbare feiten plegen, is de NMa niet verplicht
deze gegevens aan het OM door te geven. Het lijkt de heer Depla
duidelijk dat eigenstandig onderzoek door het OM niet is uitgesloten
als een bedrijf de boekhouding bij de NMa inlevert, maar door de
brieven van de bewindslieden is onduidelijkheid ontstaan en dat is
niet goed als de overheid juist probeert zoveel mogelijk bedrijven
over te halen hun schaduwboekhouding in te leveren. Hebben de
bewindslieden het idee dat de regeling effect heeft? [...]
De heer Hofstra (VVD) is verheugd over het feit dat nu een
aantal belangrijke peildata zijn vastgesteld. Bedrijven worden
opgeroepen openheid van zaken te geven over hun verleden bij handelen
in strijd met het mededingingsrecht in de periode 1 januari 1998 – de
datum waarop de NMa bevoegd is geworden om dergelijke zaken af te doen
– tot 1 januari 2003. Wat gebeurt er met de gevallen van voor 1
januari 1998? Kunnen bedrijven dan nog terugvallen op de periode
waarin dit werd gedoogd of moeten ook oudere gevallen in de
beschouwing worden betrokken? Het kabinet roept de bedrijven op zich
te melden voor 1 mei 2004, maar wat moet gemeld worden en hoe kan
worden vastgesteld of de overgelegde bescheiden authentiek zijn? Wat
gebeurt er met de informatie die op deze manier wordt verstrekt? De
heer Hofstra verzoekt de bewindslieden aan de Kamer een overzicht te
geven van de gedane aanmeldingen en het vervolg daarop.
Bedrijven die de schaduwboekhouding overleggen hoeven niet te duchten
voor uitsluiting bij aanbestedingen door Rijkswaterstaat (RWS) en de
Rijksgebouwendienst (RGD). Waarom worden ProRail en Defensie daarbij
niet genoemd, terwijl dit ook belangrijke rijksopdrachtgevers van
bouwwerken zijn? Kunnen de bewindslieden de clementieregeling nader
uitleggen? Kan worden gegarandeerd dat de informatie die nu door
bouwbedrijven wordt aangeleverd, niet in de publiciteit verschijnt,
zodat privaatrechtelijke claims kunnen worden uitgesloten? Langdurige
processen waarbij de totale kosten van de advocaten de baten voor de
burger overschrijden, moeten immers voorkomen worden. In de brief van
20 februari wordt gesproken over nemo-tenetur-problemen. Wat wordt
hiermee bedoeld?
De artikelen 160 en 162 verplichten de NMa tot melding aan het OM bij
kennisname van misdrijven begaan door ambtenaren of bij kennisname van
de in deze artikelen genoemde ernstige misdrijven zoals mensenroof en
verkrachting. Is bijvoorbeeld de rekenvergoeding die in de bouw is
gebruikt, ook een misdrijf in de zin van deze artikelen? Hoe wordt
daarmee omgegaan en welke sancties gelden hiervoor? Hoe denkt het
kabinet deze regeling in de praktijk te kunnen afhandelen? Kan de
minister van Economische Zaken ingaan op de eventuele veranderingen in
de aanbestedingsregels?
De heer Slob
(ChristenUnie) vraagt zich af of de brief van 10 maart van de minister
van Economische Zaken het uiteindelijke kabinetsstandpunt verwoordt.
In de brief van 20 februari wordt de indruk gewekt dat bedrijven die
vrijwillig gegevens aan de NMa verstrekken, erop kunnen rekenen dat
die gegevens niet worden doorgegeven aan het OM. In de brief van 10
maart wordt gewezen op de geheimhoudingsplicht volgens artikel 90
Mededingingswet, maar deze blijkt toch minder absoluut dan de heer
Slob dacht. Onduidelijk blijft of een valsheid in geschrifte die uit
een schaduwboekhouding blijkt, ook moet worden doorgegeven aan het OM.
Valsheid in geschrifte is een strafbaar feit, maar valt dit nu wel of
niet onder de artikelen 160 en 162 Wetboek van Strafvordering? Als de
bij de NMa ingeleverde schaduwboekhouding niet zelfstandig door het OM
mag worden onderzocht, verdwijnen veel strafbare feiten in de doofpot.
Zijn de problemen die kunnen ontstaan door het nemo-tenetur-beginsel
opgelost door de verwijzing naar de aangifteplicht door NMa-beambten
en het feit dat door de NMa verkregen informatie in beginsel niet zal
worden gedeeld met het OM? Toch kan bewijsmateriaal dat vrijwillig aan
de NMa is verstrekt, worden gebruikt voor strafrechtelijke vervolging.
Waarom is dat niet in strijd met het nemo-tenetur-beginsel? De
richtsnoer clementietoezegging geldt niet slechts voor bedrijven die
zich voor 1 mei 2004 bij de NMa melden; de regeling is permanent en
geldt al enkele jaren. Het enige voordeel voor bedrijven die zich voor
1 mei 2004 melden, is dat zij «in beginsel» niet worden uitgesloten
van opdrachten van de rijksoverheid. Wat hebben deze bedrijven
daaraan? Worden bedrijven die niets inleveren dan wel «in beginsel»
uitgesloten?
Mevrouw Vietsch (CDA) zegt dat de mededeling in de brief van 10
maart dat de NMa en het OM nauw met elkaar samenwerken bij de
bestrijding van onregelmatigheden in de bouw, de CDA-fractie heeft
gerustgesteld. Het is alleen de vraag waar daarbij precies de grens
ligt. Kan de minister nader ingaan op de clementieregeling die in de
brief van 20 februari wordt genoemd? Wat gebeurt er als ondernemers
zich wel melden, maar geen documenten meer hebben? Zij neemt overigens
aan dat de capaciteit van het OM en de NMa nog steeds voldoende is om
een adequate aanpak te garanderen. Kan de minister aangeven hoeveel
bedrijven zich inmiddels hebben gemeld, en melden zich alleen
bouwbedrijven of ook andere bedrijven? Heeft het kabinet de indruk dat
de mededingingsregels nog steeds worden overtreden?
In de brief van 20 maart 2004 maakt de minister van Economische Zaken
duidelijk dat de NMa op geen enkele wijze anonimiteit aan een
informant heeft gegarandeerd. Wat is het oordeel van het kabinet over
het aangekondigde initiatiefwetsvoorstel van GroenLinks, dat van
klokkenluiden een burgerplicht maakt?
Al met al ligt de bouwsector nog steeds onder vuur. De resultaten van
de enquête dreigen een verlammende werking op de bouw te hebben.
Mevrouw Vietsch vindt het daarom goed dat ondernemers die over de
schreef zijn gegaan, zich vrijwillig kunnen melden. Bedrijven die zich
voor 1 mei melden, kunnen op de clementieregeling rekenen. Dit bekent
niet dat de NMa geen boetes kan opleggen of dat het OM en de
belastingdienst niet in actie kunnen komen, maar wat houdt het dan wel
in? Zij vraagt de ministers in hun uitleg zo duidelijk te zijn dat de
bouwsector hen begrijpt.
De heer Van der Staaij (SGP) benadrukt dat een vrijwillige
melding bij de NMa niet met zich mag brengen dat bedrijven linksom of
rechtsom worden vrijgesteld van strafvervolging. De brieven van de
ministers bevestigen dit, maar wat dan wel het voordeel is van melding
voor 1 mei 2004 is niet helemaal duidelijk. Kunnen de bewindslieden
dat nog eens uitleggen?
Het is de heer Van der Staaij duidelijk dat onregelmatigheden waarbij
ambtenaren zijn betrokken ingevolge de artikelen 160 en 162 Wetboek
van Strafvordering worden doorgegeven aan het OM, ook na een
vrijwillige melding bij de NMa. Welke type relevante onregelmatigheden
worden niet gedekt door deze bepalingen?
Hoewel de brieven van 20 februari en 10 maart wat verwarrend zijn,
lijken ze toch met elkaar in overeenstemming doordat in de brief van
20 februari wordt gezegd dat de door de NMa verkregen informatie «in
beginsel» niet wordt gedeeld met het OM. Is de interpretatie juist dat
«in beginsel» slaat op de artikelen 160 en 162 Wetboek van
Strafvordering of zijn nog andere regels hierop van toepassing? Gaat
de geheimhoudingsplicht van de NMa die voortvloeit uit artikel 90
Mededingingswet nog verder dan het nemotenetur- beginsel en is het
mogelijk om binnen de grenzen van dit beginsel de
uitwisselingsmogelijkheden te verruimen? Dat zou de fractie van de SGP
toejuichen. Is de situatie van nu in dit opzicht een stap terug
vergeleken met de situatie van voor 1998? Zijn door de scheiding
tussen de NMa en de strafrechtelijke handhaving ook de mogelijkheden
om tegen relevante strafrechtelijke gedragingen op te treden, beperkt?
Is de capaciteit van de NMa voldoende als massaal aan de oproep van
het kabinet gehoor wordt gegeven?
De heer De Wit (SP) duidt erop dat sinds het laatste debat over
de bouwfraude nieuwe onthullingen zijn gedaan. Zo werd in het VPRO
radioprogramma Argos bekendgemaakt dat in de particuliere bouw nog
steeds afspraken worden gemaakt. Ook zijn onthullingen gedaan over
afspraken bij de bouw van het ministerie van Sociale Zaken en de
betrokkenheid van de top van een aantal bedrijven bij het maken van
die afspraken. Is dit voor de bewindslieden aanleiding om stappen te
ondernemen of worden deze zaken voor kennisgeving aangenomen? De heer
De Wit hoopt dat dit laatste niet het geval is.
Welke ruimte laat de artikelen 160 en 162 Wetboek van Strafvordering
voor het aanpakken van strafbare feiten zoals valsheid in geschrifte
en criminele vereniging? Als deze feiten niet onder de genoemde
artikelen vallen, is er dan toch nog een plicht tot aangifte? De
geheimhouding volgens artikel 90 Mededingingswet heeft naar zijn
indruk slechts betrekking op gegevens of inlichtingen omtrent een
onderneming. Als het om bedrijfsgeheimen gaat, kan een naam dus wel
worden doorgegeven aan het OM en heeft de geheimhoudingsplicht een
beperkte betekenis. Is dat juist?
Het convenant tussen het OM en de NMa biedt een ruime mogelijkheid tot
het uitwisselen van informatie. Welke informatie wordt daadwerkelijk
uitgewisseld en kan die informatie bijvoorbeeld leiden tot actie van
het OM?
Antwoord van de regering
De minister van Justitie erkent dat situatie in juridisch
opzicht niet eenvoudig is en hij vindt het dan ook goed dat hierover
met de Kamer wordt overlegd. De brief van 10 maart 2004 is geschreven
omdat over de brief van 20 februari 2004 verwarring is gerezen.
Wellicht is deze na het overleg met de Kamer iets te haastig
geschreven. De minister stelt voorop dat het de bedoeling is om zoveel
mogelijk schoon schip te maken in de bouwsector, en wel zonder dat dit
leidt tot een generaal pardon in strafrechtelijke zin of in de zin van
de Mededingingswet. Het is de bedoeling relevante informatie te
verkrijgen zonder dat strafrechtelijke bevoegdheden worden doorkruist
en zonder dat daarbij voor de rechter een beroep kan worden gedaan op
het nemo-tenetur-beginsel, dat inhoudt dat niemand is gehouden om aan
zijn eigen veroordeling mee te werken. De minister herinnert eraan dat
informatie afdwingen via het opstellen van een zwarte lijst nou juist
de dreiging inhoudt dat deze informatie in rechtszaken niet meer kan
worden gebruikt.
Het wel of niet inleveren van een schaduwboekhouding voor 1 mei 2004
heeft geen consequenties in strafrechtelijke zin noch consequenties
voor de toepassing van de Mededingingswet. Het enige gevolg van een
melding voor 1 mei 2004 is dat het desbetreffende bedrijf wordt
uitgezonderd van een eventuele uitsluiting bij aanbestedingen. Dat is
de prikkel die wordt gegeven om informatie te krijgen. In de brief van
20 februari 2004 is daarom aangegeven dat gegevens of inlichtingen
omtrent een onderneming die de NMa heeft verkregen in het kader van de
uitvoering van haar wettelijke taak – artikel 90 Mededingingswet –
vallen onder de geheimhoudingsplicht. Deze gegevens kunnen niet worden
doorgegeven. Dat laat volstrekt onverlet dat het OM op basis van de
eigen bevoegdheden dezelfde informatie kan verkrijgen. Het OM kan die
niet bij de NMa opvragen, maar zal deze, op basis van een verdenking,
bij het bouwbedrijf moeten opvragen. Ligt die informatie op dat moment
bij de NMa, dan kan het OM die informatie wel bij de NMa opvragen. Dan
geldt immers niet meer de geheimhoudingsplicht voor informatie die de
NMa uit hoofde van haar functie heeft verkregen. Het zou een
détournement de pouvoir zijn als de NMa het OM naar aanleiding van een
via een informant verkregen boekhouding zou aanraden om maar eens bij
een bepaald bedrijf te gaan kijken.
Bevat een boekhouding uitsluitend informatie over de
verrekeningsregeling, dan heeft deze informatie doorgaans betrekking
op de bedrijven. Geeft deze informatie blijk van ambtelijke corruptie
of feiten die onder de artikelen 160 en 162 Wetboek van Strafvordering
vallen – en dus niet onder de categorie bedrijfsgegevens of
ondernemersinformatie – dan moet de NMa conform de artikelen 160 en
162 Wetboek van Strafvordering de informatie aan het OM geven. Een
aantal zaken zoals valsheid in geschrifte valt daar niet onder, want
die worden niet in de artikelen 160 en 162 Wetboek van Strafvordering
genoemd. De informatie die niet valt onder artikel 90 Mededingingswet,
is voorwerp van het convenant dat het OM en de NMa in 2002 hebben
opgesteld. Heeft de valsheid in geschrifte betrekking op gegevens die
niet vallen onder artikel 90 Mededingingswet, en dus geen intrinsieke
bedrijfsgegevens zijn, dan kan de desbetreffende informatie door de
NMa aan het OM worden doorgegeven op basis van de afspraken in het
convenant. Het convenant heeft juist betrekking op de samenwerking
tussen het OM en de NMa, die ieder gegevens kunnen hebben die voor de
ander relevant zijn. Met het oog op de bruikbaarheid en de
bewijskracht van de gegevens is wel sprake van een beperking. Anders
kan de rechter of de advocaat opwerpen dat gegevens onterecht zijn
verkregen. De minister kan daarom niet in het algemeen aangeven welke
informatie wel of niet kan worden gebruikt. Voor de praktische
oplossing van dit probleem is gekozen voor het convenant. Overigens
geeft dit convenant alleen een omschrijving van de procedure die bij
de informatie-uitwisseling wordt gevolgd. De regering vond de brief
van 10 maart nodig om niet de indruk te wekken dat onder geen denkbare
omstandigheid informatie wordt doorgegeven aan het OM. De minister
zegt hierover niet meer duidelijkheid te kunnen geven omdat hij anders
treedt in de afweging en de beoordeling van concrete gevallen door de
rechter. Hoe sterker de regering aangeeft dat gegevens moeten worden
ingeleverd, hoe groter het risico dat vervolgens strafrechtelijk niet
kan worden opgetreden.
Concludeert de belastingdienst op basis van informatie dat mogelijk
sprake is van een strafbaar feit, dan kan de belastingdienst die
informatie wel doorgeven aan het OM. Een burger of onderneming
verstrekt immers informatie aan de belastingdienst, niet omdat hij of
zij gehouden is mee te werken aan de kennisgeving van een strafbaar
feit, maar omdat hij of zij in het algemeen gehouden is de voor de
belastingdienst relevante informatie te verstrekken.
De minister wijst erop dat de sector keer op keer heeft benadrukt dat
men er belang bij heeft dat schoon schip wordt gemaakt. Dat aspect
ziet de minister als een pressie achter de 1-mei-regeling. De
Mededingingswet is op 1 januari 1998 in werking getreden. Vanaf dat
moment gelden de bevoegdheden van de NMa. Voor die tijd werden
belastende feiten strafrechtelijk vervolgd. In de zaak van Boele & Van
Eesteren wordt nagegaan of het zwaartepunt van de overtreding voor of
na 1 januari 1998 ligt. Afhankelijk van de uitkomst daarvan wordt
bepaald of het OM of de NMa de meest gerede instantie is om tot
vervolging over te gaan.
In 2003 zijn 1195 financiële fraudezaken aangespannen. Het
veroordelingspercentage bij dit financieel-economisch functioneel
pakket is 92. Verder blijkt uit de meldingen ongebruikelijke
transacties (MOT) dat de aanpak in een aantal sectoren opnieuw moet
worden bekeken. [...].
Als een bedrijf in het kader van de clementieregeling bij de NMa een
boekhouding inlevert, is de vraag of de stukken authentiek zijn,
minder relevant. Het gaat erom dat er sprake is van een bekentenis. De
kern van de regeling is dan ook dan men overgaat tot melding. In
hoeverre deze melding met stukken wordt gestaafd, is een tweede.
Overigens kan het kabinet niet garanderen dat niet weer bijzondere
informatie naar boven komt. Dat kan immers op ieder moment gebeuren.
Op de vraag van mevrouw Vietsch of het kabinet een oordeel kan geven
over het initiatiefwetsvoorstel van GroenLinks inzake klokkenluiders
antwoordt de minister dat het primair aan de Kamer is om daarover een
oordeel te geven. Het is niet aan het kabinet om daarover een
prejudiciële beslissing te nemen en dat wil de minister dan ook niet
doen.
De garantie van anonimiteit valt niet onder artikel 90
Mededingingswet. De NMa zal daarom steeds aangeven dat zij niet kan
garanderen dat een naam anoniem blijft.
De minister van Economische Zaken legt uit dat de regering de
omslag in de bouw via drie lijnen wil bereiken. De eerste is de lijn
van de mededinging. Op het moment houdt 10% van de NMa, 40 fte, zich
bezig met de bouwfraude. De vraag of dat voldoende is, laat zich pas
beantwoorden als een analyse is gemaakt van de karrenvrachten die
momenteel bij de NMa binnenkomen. De minister geeft hieraan in ieder
geval prioriteit, net als de NMa, en wil de zaken zo snel en
zorgvuldig mogelijk afwikkelen. Niet alleen de inzet van de NMa is
echter belangrijk, maar ook het aanscherpen van de Mededingingswet,
waardoor de bevoegdheden en het sanctie-instrumentarium van de NMa
worden verstevigd. De aanscherping van de wet houdt in 1. dat het
mogelijk wordt om privéwoningen binnen te dringen en 2. dat de boetes
op het niet meewerken worden verzwaard. De minister verwacht de Kamer
binnen een week de resterende antwoorden te kunnen geven over de
evaluatie. De tweede lijn is de aanbestedingsprocedure. Het is nodig
om een verandering van cultuur te bewerkstelligen bij de bouw, maar
een cultuurverandering bij de aanbestedende instanties is evenzeer
belangrijk. Dit houdt enerzijds in dat frauderende bedrijven moeten
worden uitgesloten van overheidsopdrachten. Dit aspect is voor het
Rijk neergelegd in de beleidsregels inzake integriteit en uitsluiting
bij aanbesteden die op 20 februari zijn gepubliceerd. Anderzijds wordt
een belangrijke herziening voorbereid van de aanbestedingswetgeving en
het aanbestedingsbeleid. De minister gaf aan dat op het moment niet
meer dan 12% van de Nederlandse gemeenten voldoet aan de normale
regels van de aanbestedingswetgeving, die overigens grotendeels
Europees worden bepaald. Ook daarmee houdt het ministerie zich bezig.
De derde lijn is de Regieraad. De Perspectiefschets voor de bouw, die
door EZ, VROM en V en W gezamenlijk tot stand is gebracht, moet door
de Regieraad worden uitgewerkt.
Over de normerende rol van de leden van de raden van commissarissen
sluit de minister zich aan bij de minister van Justitie. De corporate
governance en de betrokkenheid van de raden van bestuur en de raden
van commissarissen zal worden aangescherpt. Daarbij wordt gewerkt aan
een grotere aanspreekbaarheid en publieke verantwoording. Thans kunnen
bestuurders van ondernemingen die de Mededingingswet overtreden niet
persoonlijk worden aangesproken. De gedragsnorm uit de Mededingingswet
richt zich tot nu toe primair op de ondernemingen. Bij de
bestuursrechtelijke handhaving wordt de bestuurlijke boete opgelegd
aan de overtreder, zijnde de onderneming. Het kabinet wil een
persoonlijke bestraffing introduceren voor opdrachtgevers of feitelijk
leidinggevenden bij het overtreden van het kartelverbod, het verbod op
misbruik van economische machtspositie of de verplichting tot het
aanmelden van een voorgenomen concentratie. Daarbij acht het kabinet
een maximumboete van 450 000 euro per persoon wenselijk. Een degelijke
regeling bestaat al bij de OPTA. De minister wil deze regeling ook
voor de NMa volgen. Het is de bedoeling dat van deze boete een
afschrikwekkende werking uitgaat, maar het belangrijkste aspect
daarvan is dat de bestuurder van een onderneming daardoor een hoge
reputatieschade oploopt. Tegelijkertijd wil het kabinet de moraliteit
van het publieke bestuur aanpakken.
De clementieregeling is ontleend aan de praktijk van de Europese
Commissie en vormt nu een onderdeel van de beleidsregels van de NMa.
De regeling heeft tot doel alle deelnemers aan een kartel er belang
bij te geven om als eerste te klikken en is gebaseerd op het feit dat
mensen zich laten prikkelen door eigenbelang. Langdurig kartelgedrag
wordt daardoor onaantrekkelijk en onzeker. De clementieregeling is dus
geen tegemoetkoming aan het bedrijfsleven, maar een instrument ter
ondersteuning van het mededingingsbeleid. Op grond van de
clementieregeling kunnen ondernemingen strafvermindering of soms zelfs
immuniteit verkrijgen, maar dat zal lang niet altijd het geval zijn.
Overigens houdt de clementieregeling niet per 1 mei 2004 op. Alleen al
het bestaan van zo’n regeling geeft een prikkel. Naarmate bedrijven
zich later melden bij de NMa, en er dus al meer bekend is, zal ook de
boetevermindering lager zijn. De clementieregeling heeft drie
hoofdregels. 1. De onderneming verschaft als eerste informatie over
het kartel. De NMa beschikt nog niet over deze informatie en heeft nog
geen onderzoek gestart. Immuniteit is dan mogelijk. 2. Een onderneming
geeft als eerste informatie over een kartel. De NMa is wel al een
onderzoek gestart, maar heeft de evidente informatie nog niet van het
bedrijf ontvangen. Dan is een boetevermindering mogelijk van ten
minste 50%. 3. De onderneming verschaft aanvullende waardevolle
informatie over het kartel. De NMa beschikt nog niet over deze
informatie, maar is wel al een onderzoek gestart. In dit geval is een
boetevermindering van 10% tot 50% mogelijk.
Klokkenluiders worden door de NMa zeer zorgvuldig behandeld. De
informant waarover de Volkskrant onlangs berichtte, is zeker niet
onterecht behandeld en heeft van de NMa niet de garantie gekregen dat
zijn gegevens of zijn naam niet bekend zouden worden gemaakt. De
minister zegt dit persoonlijk bij de NMa te hebben nagevraagd. De
uitspraak die in die krant is gedaan, is dan ook onjuist.
Een onderneming die zich niet voor 1 mei 2004 bij de NMa meldt en
achteraf wordt beboet, kan worden uitgesloten van aanbestedingen door
Rijkswaterstaat en de Rijksgebouwendienst. De minister roept andere
aanbestedende bedrijven zoals ProRail en Defensie op, deze algemene
stelregel ook toe te passen. De minister maakt zich zorgen over de
eigen gedragscode van de bouwsector, die op 1 januari 2004 in werking
is getreden. Tot nu toe hebben slechts 250 van de 30 000 bedrijven de
code onderschreven. Hij roept de sector bij dezen op, de gedragscode
in bredere zin te hanteren.
De Kamer zal voor de zomer een visiedocument ontvangen over de nieuwe
aanbestedingswet. De tijd tot de zomer wil de minister gebruiken om
met externe partijen te overleggen. In dit document zal expliciet
aandacht worden besteed aan de aanbestedingspraktijken die
kartelvorming kunnen vergemakkelijken. De minister hoopt hierop
spoedig een reactie van de Kamer te ontvangen.
Uit recente schaduwboekhoudingen blijkt dat nog steeds veelvuldig
prijsafspraken worden gemaakt, en niet alleen bij de grote
ondernemingen, maar ook bij de kleinere bedrijven. Het NMa-onderzoek
is in eerste instantie gericht op alle spelers in de grond-, weg- en
waterbouw. In december heeft de NMa nog kleine aannemers beboet voor
een klein kartel in Amsterdam-Noord. Ook het midden- en kleinbedrijf
moet worden aangepakt. De grootste bedrijven dragen echter de grootste
verantwoordelijkheid en kunnen een signaal geven aan de kleinere
bedrijven.
Nadere gedachtewisseling
Mevrouw Vos (GroenLinks) heeft nog steeds problemen met de
laatste zin van de brief van 20 februari: «Door de NMa verkregen
informatie zal in beginsel niet worden gedeeld met het OM». Zij vindt
dat ingeleverde schaduwboekhoudingen zowel door het OM als de NMa
moeten worden bekeken. Deze zin suggereert dat de NMa het voortouw
heeft en dat onderzoek door het OM meer uitzondering dan regel is. Dat
vindt zij niet goed.
Kan de minister het nemo-tenetur-beginsel relateren aan het
Saundersarrest? Het Europese Hof voor de rechten van de mens heeft in
dit arrest uitgesproken dat iemand die wordt gevraagd of wordt
opgelegd actief mee te werken aan het overleggen van boekhouding, wel
op basis van die boekhouding kan worden vervolgd. Dan moet dat bij de
overgelegde administraties toch ook mogelijk zijn?
Kan de minister in een brief aan de Kamer nog eens precies aangeven
hoe de onderhavige regeling in elkaar zit, hoe de afstemming tussen OM
en NMa wordt vormgegeven en wanneer het OM en wanneer de NMa vervolgt?
De heer Depla (PvdA) stelt voor om niet alleen ProRail en
Defensie, maar ook de gemeenten, provincies en de waterschappen op te
roepen om de regeling te volgen.
Dat bedrijven die hun schaduwadministratie inleveren niet worden
gevrijwaard van strafrechtelijke vervolging van strafbare feiten,
vindt de heer Depla prima. Hij kan bijna niet geloven dat beide
ministers van mening zijn dat geen sprake is van disfunctioneren van
de raden van commissarissen als deze slecht toezicht houden. Dat is
een aanmoediging om de andere kant op te kijken als veel geld wordt
verdiend met iets wat in strijd is met de wet of met het goede gedrag.
Bij de heer Hofstra (VVD) leeft nog onduidelijkheid over de
praktische toepassing van de artikelen 160 en 162 Wetboek van
Strafvordering en artikel 90 Mededingingswet. Artikel 160 ziet naar
zijn mening op theoretische gevallen zoals vrijheidsberoving en
dergelijke. Artikel 162 gaat over ambtenaren. Als nu uit een
schaduwboekhouding blijkt dat 10% te veel in rekening is gebracht, is
dat dan een bedrijfsgeheim dat onder artikel 90 Mededingingswet valt?
Kunnen de bewindslieden de Kamer statistieken toezenden over de
uitwerking van deze regeling? Kunnen de NMa en het OM de afhandeling
van alle gevallen in de praktijk wel aan?
Als na 1 januari 2003 nog dingen gebeuren die niet mogen, moet een
hard beleid worden gevoerd. Is daar genoeg capaciteit voor bij de NMa?
De heer Slob (ChristenUnie) wil graag weten of hoe dan ook
wordt opgetreden als uit de ingeleverde boekhoudingen strafbare feiten
naar voren komen. Hij sluit zich aan bij het verzoek van mevrouw Vos
om een afsluitende brief. Kunnen ook de toezeggingen die vandaag zijn
gedaan, daarin worden opgenomen?
Mevrouw Vietsch (CDA) vraagt de ministers of zij de indruk
hebben dat de overtredingen nog steeds doorgaan. Als een bedrijf van
nieuwe aanbestedingen wordt uitgesloten, geldt deze uitsluiting dan
ook voor een zusterbedrijf of voor een dochter- of moederbedrijf?
De heer Van der Staaij (SGP) vindt het positief dat inmiddels
karrenvrachten bij de NMa binnenkomen. Hij hoopt dat dit zo blijft als
er meer duidelijkheid is over de regeling.
Kunnen de bewindslieden nog eens ingaan op de uitwisseling van
informatie tussen het OM en de NMa? De mededeling in de brief van 20
februari dat de door de NMa verkregen informatie in beginsel niet zal
worden gedeeld met het OM, staat naar zijn gevoel haaks op de
conclusie die hij uit dit debat trekt, namelijk dat handelen in strijd
met het Wetboek van Strafrecht in principe wel kan en zal worden
doorgegeven aan het OM. De vraag of er strafrechtelijk relevante
gedragingen zijn die niet door de NMa aan het OM kunnen worden
doorgegeven, hebben de ministers niet beantwoord. Houdt dit in dat
alles wat strafrechtelijk relevant is op grond van de bestaande
wettelijke bepalingen kan worden doorgegeven aan het OM?
De minister van Justitie verwijst inzake de laatste zin van de
brief van 20 februari naar het convenant. Met dit convenant wordt
enerzijds beoogd dat het OM en de NMa elkaar, voorzover rechtens
toegestaan, desgevraagd informatie verschaffen die bijdraagt aan het
welslagen van hun respectievelijke taakuitoefening. Anderzijds wordt
beoogd dat het OM en de NMa elkaars onderzoeks- en
opsporingshandelingen afstemmen teneinde nadelige interferentie te
voorkomen. Gegevens die vallen onder de artikelen 90 en 91
Mededingingswet mogen door de NMa niet worden doorgegeven. De overige
zaken vallen onder het convenant. Welke afweging precies wordt gemaakt
ten aanzien van strafbare feiten, weet de minister niet, maar als het
relevant is, zal het OM worden ingelicht. In beginsel zal worden
opgetreden als er strafbare feiten zijn, in ieder geval in alle
gevallen van corruptie. Thans wordt een aantal bedrijven in de
bouwsector aangesproken op de strafrechtelijke verantwoordelijkheid.
In het licht van de uitkomst daarvan zal worden bezien hoe verder
wordt opgetreden.
In de brief van 21 december 2001 (stuk nr. 28 176) wordt uitvoerig
ingegaan op de uitspraak in de zaak-Saunders en de
onderzoeksbevoegdheden van overheidsdiensten. In deze brief wordt ook
op andere relevante jurisprudentie van het Europese Hof ingegaan.
Stuit men via een algemene inlichtingenbevoegdheid op strafbare feiten
– zoals bij de belastingdienst – dan kan geen beroep worden gedaan op
het nemo-teneturbeginsel. Een probleem ontstaat pas als mensen worden
opgeroepen om alleen de informatie te geven waaruit hun strafbaar
handelen blijkt. Overtredingen van de Mededingingswet die na 1 januari
1998 zijn opgetreden vallen onder de NMa. In principe kan ook voor
deze zaken een constructie onder de strafwet worden bedacht, maar
volgens het «ne bis in idem»-beginsel kan men niet twee keer voor
hetzelfde feit worden veroordeeld. Individuele delicten vallen onder
het strafrecht.
Het lijkt de minister van Economische Zaken van belang dat de
regeling algemene praktijk wordt. In het bestuurlijk overleg dat
binnenkort plaatsvindt, zal hij de vraag van de heer Depla of andere
overheden en lagere overheden zich moeten aansluiten bij de regeling,
inbrengen. De prijsverhoging van 10% waarnaar de heer Hofstra vraagt,
valt onder het kartelverbod en is daardoor een zaak voor de NMa. Die
informatie blijft bij de NMa omdat het OM daar niet over gaat. Dit
staat echter los van artikel 90 Mededingingswet en de artikelen 160 en
162 Wetboek van Strafvordering. Zodra er meer cijfers bekend zijn, zal
de minister de Kamer statistieken toezenden. Tot nu toe kan de NMa de
toevoer van administraties aan.
Bedrijfsleiders hebben tegenover de minister aangegeven dat met het
verleden is afgerekend en dat schoon schip wordt gemaakt. Zekerheid
kan de minister niet geven. Als een moederbedrijf 100% van de aandelen
van een dochterbedrijf in handen heeft, zal een overtreding van het
dochterbedrijf ook het moederbedrijf worden toegerekend. De NMa zal
daarbij een eigen plan trekken.
De voorzitter concludeert dat de volgende vier toezeggingen
zijn gedaan.
1. De Kamer ontvangt het visiedocument aanbestedingsregels voor de
zomer.
2. De bevoegdheden van de NMa worden aangescherpt; het tempo waarin
dit plaatsvindt, is afhankelijk van de behandeling van deze wetgeving
door de Kamer.
3. De Mededingingswet wordt aangescherpt op het gebied van de
persoonlijke betrokkenheid.
4.
De Kamer ontvangt in mei een cijfermatig overzicht van de ingediende
boekhoudingen en de afhandeling daarvan.” |