|
Kamervragen, met antwoord, over MKB-bouwfraude
Vragen van het lid De Wit (SP) aan de ministers van Economische Zaken
en van Justitie over fraude in het lid midden- en kleinbedrijf in de
bouwsector (ingezonden 2 maart 2004) met het antwoord van de minister
van Economische Zaken
Ontvangen 6 april 2004
Kamervragen met antwoord II 2003-2004, nr. 1277
Vraag 1
“Bent u op de hoogte van de recente berichtgeving over fraude in
het midden- en kleinbedrijf in de bouwsector?”
Antwoord
“Ja.”
Vraag 2
“Was/is u bekend dat ook in het midden- en kleinbedrijf in de
bouwsector prijsafspraken zijn gemaakt en dat deze nog steeds worden
gemaakt?”
Antwoord
“Tijdens de parlementaire enquête Bouwnijverheid is aan de orde
gekomen dat er in de bouwsector prijsafspraken worden gemaakt. Ook
daarna is uit verschillende onderzoeken van de NMa gebleken dat er in
de bouwsector veel verboden prijsafspraken zijn gemaakt. Ook (recente)
berichten in de media wijzen erop dat op grote schaal verboden
afspraken zijn gemaakt tussen bouwbedrijven. Ik heb geen reden om aan
te nemen dat het verboden kartelgedrag uitsluitend plaatsgevonden
heeft bij de grote bouwbedrijven.
Na de parlementaire enquête is de NMa haar onderzoek gestart in de
grond-, weg- en waterbouwsector, aangezien daar de meest concrete
aanwijzingen waren.
De NMa breidde haar onderzoek sinds 2002 uit van de grond-, weg- en
waterbouwsector naar aanverwante en andere segmenten, zoals naar de
B&U-sector. Het NMa-onderzoek is derhalve breed en richt zich niet
uitsluitend op één bepaald segment of uitsluitend op grote
bouwondernemingen en grote aanbestedingen. Zo legde de NMa in december
2003 boetes op aan kleine aannemers voor een kartelafspraak rond een
klein werk in Amsterdam Noord. Dit betrof een aanbesteding van eind
2003.”
Vraag 3
“Kent u het memo van mei 2003 dat binnen Vianed circuleert en dat
feitelijk bevestigt dat bedoelde afspraken nog steeds worden gemaakt?”
Antwoord
“In het radioprogramma Argos is gesproken over de inhoud van het
memo. Ik heb het memo zelf niet gezien of gelezen.”
Vraag 4
“Wat is uw oordeel over deze afspraken?”
Antwoord
“Prijsafspraken schaden de economie in het algemeen en de
consument in het bijzonder. Daarom zijn dergelijke afspraken verboden.
Het is derhalve terecht dat het kabinet inzet op een
cultuurverandering. Ondernemingen – klein of groot – die doorgaan met
het maken van verboden prijsafspraken, kunnen een harde handhaving van
de mededingingsregels door de NMa tegemoet zien.”
Vraag 5
“Bent u bereid het OM respectievelijk de NMA opdracht te geven tot
het instellen van een onderzoek naar deze – verboden – afspraken? Zo
neen, waarom niet?”
Antwoord
“Aangezien er in de vraag uitgegaan wordt van verboden
prijsafspraken, dus van mededingingsbeperkend gedrag, is het aan de
NMa te besluiten of er in een individueel, specifiek geval redenen
zijn om in te grijpen of niet. De Mededingingswet kent immers aan de
NMa de taak toe tot het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van
de uitvoering van die Mededingingswet. De NMa stelt haar prioriteiten
aan de hand van een aantal criteria waaronder de mate van economisch
en consumentenbelang, de ernst van de overtreding en de doelmatigheid
van het NMa-optreden. De NMa beslist op basis van deze criteria of zij
een specifieke zaak daadwerkelijk zal onderzoeken. Dit kan tot gevolg
hebben dat de NMa bij overigens gelijke omstandigheden prioriteit
geeft aan het onderzoeken van een grote aanbesteding. Dit betekent
niet dat kleine ondernemingen de dans ontspringen. De NMa heeft al
onderzoeken naar kleinere bouwbedrijven afgerond, zoals het genoemde
onderzoek naar prijsafspraken in Amsterdam Noord. Indien de NMa kennis
neemt van informatie betreffende bijvoorbeeld corruptie door
ambtenaren of ernstige geweldsdelicten zal de NMa deze informatie aan
het openbaar ministerie verstrekken, zodat terzake strafvervolging kan
plaatsvinden.”
Vraag 6
“Geldt de door de regering geopende mogelijkheid tot vrijwillige
melding door bouwbedrijven van handelingen in strijd met het
mededingingsrecht ook voor deze sector?”
Antwoord
“De oproep om schoon schip te maken is aan alle ondernemingen in
de bouwsector gericht, dus ook aan het midden- en kleinbouwbedrijf.
Indien kleinere bouwondernemingen openheid van zaken geven over
kartelgedrag of andere beperkingen van de mededinging kunnen zij,
onder dezelfde voorwaarden als grote ondernemingen, in aanmerking
komen voor clementie. De voorwaarden waaronder de NMa clementie
verleent zijn openbaar en staan omschreven in de Richtsnoeren
Clementie van de NMa. Deze richtsnoeren, en een toelichting daarop,
zijn te vinden op de website van de NMa. Kleine ondernemingen kunnen,
net als grote ondernemingen, uitgesloten worden van
overheidsopdrachten indien zij niet voor 1 mei aanstaande openheid van
zaken geven inzake kartelgedrag.”
Vraag 7
“Hoe gaat u optreden ten opzichte van de bouwbedrijven die ook na
1 januari 2003 verboden afspraken blijken te hebben gemaakt?”
Antwoord
“De NMa houdt aanbestedingen in het algemeen en in de bouw in het
bijzonder als een belangrijke handhavingprioriteit voor het jaar 2004.
De NMa heeft daartoe een speciale taakgroep bouw, waar capaciteit
beschikbaar is speciaal voor onderzoeken in de bouwsector. Deze
taakgroep houdt zich niet alleen bezig met de «oude»
bouwfraude-onderzoeken en met de onderzoeken naar de
schaduwboekhoudingen van ondernemingen die openheid van zaken gaven,
maar onderzoeken ook eventuele nieuwe aanwijzingen van kartelgedrag in
de bouwsector. Ondernemingen kunnen dus rekenen op een strenge aanpak
van prijsafspraken na 1 januari 2003. De NMa zal versneld de
bevoegdheid krijgen privé-woningen te betreden en de boetes op
niet-meewerken aan NMa-onderzoeken zullen versneld worden verhoogd.
Het zal voor de NMa dus makkelijker worden om verboden prijsafspraken
op het spoor te komen. Naar aanleiding van de Evaluatie van de
Mededingingswet bereid ik bovendien een wetswijziging van de
Mededingingswet voor, waardoor het onder andere mogelijk wordt
feitelijk leidinggevenden of opdrachtgevers van prijsafspraken of
ander mededingingsbeperkend gedrag (zoals misbruik van economische
machtspositie of het niet aanmelden van een voorgenomen fusie)
persoonlijk te beboeten tot een maximum van 450 000 euro. Bovendien
kunnen ook kleinere ondernemingen die zich schuldig blijven maken aan
prijsafspraken, uitgesloten worden van overheidsopdrachten.” |