|
NOvA wijzigt Verordening op de praktijkuitoefening
m.b.t. resultaatgerelateerde beloning
Nederlandse Orde van Advocaten; Verordening tot wijziging van de
Verordening op de praktijkuitoefening (onderdeel Resultaatgerelateerde
Beloning)
13 april 2004 (datum inwerkingtreding: 1 november 2004)
Stcrt. 2004, 70, p. 23
“Het College van Afgevaardigden van de Nederlandse Orde van Advocaten;
Overwegende,
Dat het gewenst is artikel 2 van de Verordening op de
praktijkuitoefening (onderdeel Resultaatgerelateerde Beloning) te
wijzigen;
Gelet op artikel 26 en 28 Advocatenwet;
Gezien het ontwerp van de Algemene Raad;
Stelt de volgende verordening vast:
I. Artikel 2 van de verordening komt als volgt te luiden:
1. Het staat de advocaat niet vrij overeen te komen dat slechts bij
het behalen van een bepaald gevolg salaris in rekening wordt gebracht.
2. De advocaat mag niet overeenkomen dat het salaris een (evenredig)
deel zal bedragen van de waarde van het door zijn bijstand te bereiken
gevolg, behoudens wanneer dit geschiedt met inachtneming van een
binnen de advocatuur gebruikelijk en aanvaard incassotarief.
3. In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid staat het
de advocaat vrij om in zaken met betrekking tot letsel- en
overlijdensschade
– bij het behalen van een bepaald gevolg wèl af te zien van het in
rekening brengen van enige financiële vergoeding
òf
– een resultaatgerelateerde honorariumafspraak te maken op grond
waarvan de advocaat een (evenredig) deel toekomt van de waarde van het
door zijn rechtsbijstand bereikte gevolg, indien het betreft een
rechtzoekende, die
– niet in aanmerking komt voor of afziet van door de overheid
gefinancierde rechtsbijstand en naar het oordeel van de advocaat
redelijkerwijs niet in staat is de kosten van rechtsbijstand te
betalen
òf
– in aanmerking komt voor een voorwaardelijke toevoeging, die echter
niet wordt omgezet in een definitieve toevoeging,
en indien de aansprakelijkheid niet aanstonds is erkend of
redelijkerwijs vast staat dan wel problemen van enige importantie in
de sfeer van schade of causaliteit voorzienbaar zijn.
4. Aan honorariumafspraken, bedoeld in het derde lid, dient een
schriftelijke opdrachtbevestiging ten grondslag te liggen, welke ten
minste een beschrijving dient te bevatten van de in Bijlage A
opgenomen punten.
5. De advocaat is verplicht de opdrachtbevestiging, bedoeld in het
vierde lid, in afschrift en geanonimiseerd, onverwijld te zenden aan
de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten en daarbij
gemotiveerd aan te geven waarom hij meent dat zijn cliënt
redelijkerwijs niet in staat geacht kan worden de kosten van
rechtsbijstand te betalen. Van de (tussentijdse) beëindiging van zijn
rechtsbijstand, alsmede van het bereikte resultaat en de wijze waarop
de honorering heeft plaatsgevonden, doet de advocaat op
overeenkomstige wijze onverwijld mededeling.
II. Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Wijzigingsverordening
op de Verordening op de praktijkuitoefening (onderdeel
Resultaatgerelateerde Beloning)’.
Deze verordening treedt in werking op 1 november 2004 en expireert op
31 oktober 2009.”
Nota van Toelichting op de wijzigingsverordening van de Verordening
op de praktijkuitoefening (onderdeel Resultaatgerelateerde Beloning)
“Aanleiding tot de wijzigingsverordening
Naar aanleiding van het arrest van het Europese Hof van Justitie
in de NOvA-case d.d. 19 februari 20021 en het besluit van de
directeur-generaal van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa)
d.d. 12 februari 20022 heeft het College van Afgevaardigden ingestemd
met het voorstel van de Algemene Raad om de tekst van gedragsregel 25,
tweede en derde lid letterlijk op te nemen in de Verordening op de
praktijkuitoefening (onderdeel Resultaatgerelateerde Beloning), welke
in werking is getreden op 2 juli 2002.
Binnen de advocatuur bleek behoefte te bestaan aan een brede
inhoudelijke discussie over de vraag of het wenselijk en mogelijk is
tot een versoepeling van het in artikel 2 van de verordening
neergelegde verbod op een resultaatgerelateerde beloning te komen.
Ten behoeve van die discussie heeft de Algemene Raad een
rechtsvergelijkende oriëntatie uitgevoerd en zijn alle
specialisatieverenigingen, de ANWB, de Consumentenbond en het MKB
benaderd teneinde hun zienswijze over het vigerende verbod te
vernemen.
Ondersteund door de uitkomsten van deze oriëntatie is de Algemene Raad
van mening, dat er voor bepaalde rechtzoekenden sprake kan zijn van
een beperking van de toegang tot het recht.
Wijziging bij wijze van experiment
De Algemene Raad heeft besloten een (tijdelijke) wijziging van de
hierboven genoemde verordening voor te stellen, inhoudende een aan
voorwaarden gebonden opheffing van het verbod op een
resultaatgerelateerde beloning in zaken met betrekking tot letsel- en
overlijdensschade.
De Algemene Raad realiseert zich dat dit gedurende de looptijd van het
experiment kan leiden tot een toename van het aantal vorderingen. De
Algemene Raad acht dit risico aanvaardbaar en de mogelijke toename
beheersbaar. Een toename van kansloze claims is niet waarschijnlijk,
omdat de advocaat zelf daarvan de financiële gevolgen draagt en dus
geen kansloze procedure zal entameren.
Voorts zou het experiment mogelijk kunnen leiden tot aantasting van de
onafhankelijkheid van de advocaat. De Algemene Raad acht ook het
risico van inbreuk op de onafhankelijkheid goed beheersbaar nu aan
deze resultaatgerelateerde beloning een met voldoende waarborgen
omklede schriftelijke overeenkomst tussen de advocaat en zijn cliënt
ten grondslag moet liggen.
Het experiment
Onder het experiment vallen zaken die aanvangen na inwerkingtreding
van de wijzigingsverordening. Het experiment heeft een duur van vijf
jaar; van deze vijf jaar worden de eerste vier jaar in aanmerking
genomen voor de evaluatie van de uitkomsten van het experiment.
Bewust is gekozen voor een termijn van vier jaar, omdat gebleken is,
dat – ondanks de lange doorlooptijd van letselschadeclaims – 80% van
alle letselschadeclaims, die verzekeraars ontvangen binnen vier jaar
wordt afgehandeld.
Het is geenszins de bedoeling van de Algemene Raad om met dit
experiment afbreuk te doen aan de jurisprudentie van het Hof van
Discipline inzake het maken van resultaatgerelateerde
honorariumafspraken4. Het laatste jaar van de vijfjarige periode zal
worden benut om tot een afronding te komen van de evaluatie van de
resultaten van het experiment gedurende de eerste vier jaar.
Rekening houdend met de dan geldende jurisprudentie van het Hof van
Discipline zal worden beoordeeld of
1. geen vervolg wordt gegeven aan het experiment òf
2. de opheffing van het verbod op het maken van resultaatgerelateerde
honorariumafspraken beperkt blijft tot letsel- en overlijdensschade
zaken òf
3. de opheffing van het verbod ook van toepassing wordt verklaard op
nader te bepalen rechtsgebieden.
Voor deze wijzigingsverordening volstaat de Algemene Raad met het
benoemen van de in noot 4 opgenomen relevante jurisprudentie –
namelijk de uitzonderingen op de hoofdregel op het verbod van no cure
no pay en quota pars litis – in de toelichting op de
wijzigingsverordening. Te overwegen is om na afloop van het experiment
de resultaten van dat experiment en de recente tuchtrechtelijke
jurisprudentie te codificeren in de Verordening op de goede
praktijkuitoefening (onderdeel Resultaatgerelateerde Beloning). Met de
invoering van het experiment zijn er thans twee uitzonderingen op het
aan de advocaat opgelegde algemene verbod, dat hij niet mag
overeenkomen dat het salaris een (evenredig) deel zal bedragen van de
waarde van het door zijn bijstand te bereiken gevolg.
Gehandhaafd blijft de uitzondering voor zover het betreft
incassozaken. Zie daartoe de Toelichting op de wijziging van
gedragsregel 25, derde lid en de toelichting op het incassotarief. Een
tweede uitzondering wordt geïntroduceerd voor zover het betreft zaken
met betrekking tot letsel- en overlijdensschade als bedoeld in artikel
2, derde lid van de wijzigingsverordening.
Voorts is besloten het experiment te beperken tot die rechtzoekenden,
die de kosten verbonden aan de gewenste rechtsbijstand redelijkerwijs
niet kunnen betalen.
Rechtzoekenden met een inkomen en vermogen, vallende onder de
WRBgrenzen, zouden wat betreft het honorarium in beginsel niet gebaat
zijn bij het experiment, nu zij in aanmerking komen voor door de
overheid gefinancierde rechtsbijstand. Voor deze groep zouden evenwel
de deskundigenkosten een belemmering tot de toegang tot het recht
kunnen betekenen.
De advocaat behoort voor zijn cliënt met een inkomen en vermogen onder
de WRB-grens een voorwaardelijke toevoeging aan te vragen, tenzij
advocaat en cliënt uitdrukkelijk afzien van door de overheid
gefinancierde rechtshulp, zulks met in achtneming van het bepaalde in
gedragsregel 24, derde lid.
Indien een voorwaardelijke toevoeging wordt omgezet in een definitieve
toevoeging declareert de advocaat op basis van de WRB; zo deze
omzetting niet plaatsvindt, vormt de tussen de advocaat en zijn cliënt
bij aanvang van de opdracht tot rechtsbijstand gemaakte afspraak over
een resultaatgerelateerde beloning dan wel het afzien van enige
beloning, de basis van het honorarium van de advocaat. Wat betreft de
groep van rechtzoekenden met inkomen en vermogen boven de WRB-grenzen
is het moeilijk vast te stellen in welke gevallen en onder welke
omstandigheden er sprake is van een situatie waarin een rechtzoekende
redelijkerwijs niet in staat geacht kan worden zijn kosten voor
rechtsbijstand te betalen. Mitsdien is afgezien van het stellen van
expliciete grensnormen. Richtsnoer is als bovengrens van het bruto
verzamelinkomen aan te houden het aanvangstarief van de vierde schijf
van Box 1 ingevolge artikel 2, lid 10 t/m 12 van de Wet op de
Inkomstenbelasting 2001.
Veel wordt dus aan het redelijk oordeel van de advocaat overgelaten,
waarbij de specifieke omstandigheden waarin zijn cliënt verkeert de
grondslag vormen voor het besluit van de advocaat dat hij bereid is
met zijn cliënt de afspraak te maken om op basis van een
resultaatgerelateerde beloning te werken.
Uitgangspunt dient te zijn dat het op basis van een (evenredig) deel
van de opbrengst te ontvangen honorarium te allen tijde redelijk is en
dus niet excessief. Uiteraard bestaat steeds de mogelijkheid van
repressieve toetsing door de tuchtrechter.
Overigens staat (en stond) het de advocaat te allen tijde vrij om met
zijn cliënt overeen te komen om af te zien van enige financiële
vergoeding, de zgn. no pay-afspraak, mits die afspraak maar niet
gekoppeld is aan het in de zaak te behalen resultaat. Zodra de
financiële vergoeding wèl gekoppeld wordt aan het te behalen resultaat
in de zaak is er sprake van een zgn. no cure no pay-afspraak. Het
maken van een dergelijke afspraak wordt met artikel 2, derde lid,
eerste gedachtenstreepje van deze verordening bij wijze van experiment
met inachtneming van de daaraan gestelde voorwaarden mogelijk gemaakt.
Deelname aan experiment is gebonden aan voorwaarden
Als voorwaarde geldt, dat een resultaatgerelateerde beloning alleen
geoorloofd is als de aansprakelijkheid niet aanstonds is erkend of
redelijkerwijs vast staat, dan wel problemen van enige importantie in
de sfeer van schade of causaliteit voorzienbaar zijn.
No cure no pay kan namelijk ook een rol spelen in geval van betwisting
van de omvang van de schade of van het oorzakelijk verband tussen de
schade en de onrechtmatige gedraging.
In de schriftelijke opdrachtbevestiging van de rechtzoekende aan de
advocaat moet in voor de rechtzoekende duidelijke taal inzicht worden
gegeven in de redelijke verwachting van de advocaat ten aanzien van de
te verrichten arbeid en de te maken (buiten) gerechtelijke kosten7.
Voorts bevat de opdrachtbevestiging een op feiten en omstandigheden
gebaseerd, gemotiveerd advies over de keuze van de
honoreringsmodaliteit met daarbij opgenomen een risico- inschatting.
Indien geopteerd wordt voor de modaliteit quota pars litis dient in de
opdrachtbevestiging een grens te worden opgenomen. Deze grens is het
minimaal door de advocaat te behalen resultaat op basis waarvan zal
worden gehonoreerd. Onder deze grens zal de advocaat niet worden
gehonoreerd (Bijlage A punt 2). Een voorbeeld van een dergelijke
ondergrens kan zijn een bij de ondertekening van de
opdrachtbevestiging reeds door of namens de aansprakelijke partij
aangeboden vergoeding. Een verwijzing in de opdrachtbevestiging naar
een regeling in geval de advocaat de rechtsbijstand tussentijds
beëindigt op grond van gewichtige redenen is bedoeld om de
rechtzoekende te beschermen tegen die advocaat, die tijdens de
behandeling van de zaak tot de conclusie komt, dat de kansen op succes
niet zo groot zijn en daarom een breuk tussen hem en zijn cliënt
teweeg brengt, opdat toch een financiële vergoeding kan worden
bewerkstelligd als ware er sprake van een overdracht van de zaak aan
een andere advocaat (Bijlage A punt 7). Met de verwijzing naar een
specifieke geschillenregeling voor problemen anders dan hiervoor
bedoeld, denkt de Algemene Raad aan regelingen als bijvoorbeeld de
Klachten- en Geschillenregeling Advocatuur en regelingen, die zijn
opgesteld door specialisatieverenigingen op het gebied van
letselschade (Bijlage A punt 8).
In de opdrachtbevestiging dient eveneens te worden vastgelegd, dat de
advocaat slechts met voorafgaande schriftelijke aanvaarding van de
cliënt een schikkingsovereenkomst met de wederpartij kan sluiten of
een gerechtelijke procedure aanhangig kan maken (Bijlage A punt 9).
De Algemene Raad onderstreept, dat afgezien van de hierboven
geschetste mogelijkheden, advocaten te allen tijde de vrije keus
hebben om van geval tot geval te bezien, afhankelijk van de
omstandigheden en in overleg met de rechtzoekende, of geopteerd wordt
voor de thans gangbare declaratiemethoden, nl. op basis van een
uurtarief of een vast tarief respectievelijk de door het Hof van
Discipline toegestane betalingsmodaliteiten, dan wel voor
dienstverlening uitsluitend op resultaatgerelateerde basis conform
deze verordening.
Evaluatie van het experiment
In verband met de evaluatie van de uitkomsten van het experiment is de
advocaat verplicht om onverwijld een geanonimiseerd afschrift van de
door beide partijen getekende opdrachtbevestiging te zenden aan de
Algemene Raad. In de aan de Algemene Raad gerichte aanbiedingsbrief
geeft de advocaat gemotiveerd weer waarom hij meent dat zijn cliënt
redelijkerwijs niet in staat geacht kan worden de kosten van
rechtsbijstand te betalen. De Algemene Raad bevestigt schriftelijk de
ontvangst aan de advocaat en geeft aan de zaak een volgnummer, dat in
de verdere correspondentie over de desbetreffende zaak moet worden
gebruikt.
Het experiment is primair bedoeld om aan rechtzoekenden met beperkte
financiële middelen toegang tot het recht te verschaffen, welke
toegang zij zonder dit experiment niet zouden hebben gehad. Het is om
die reden, dat op de advocaat een zwaardere motiveringsplicht rust als
de advocaat meent, dat er gegronde redenen zijn om ook boven de voor
dit experiment te hanteren bovengrens van het bruto verzamelinkomen,
te weten het aanvangstarief van de vierde schijf van Box 1 ingevolge
artikel 2, lid 10 t/m 12 van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001, een
resultaatgerelateerde honorariumafspraak te maken.
Van de (tussentijdse) beëindiging van de door de advocaat verleende
rechtsbijstand, alsmede van het resultaat van die bijstand en de wijze
waarop de honorering heeft plaats gevonden, doet de advocaat eveneens
onverwijld schriftelijk mededeling aan de Algemene Raad.
Uitdrukkelijk is er in het kader van de evaluatie voor gekozen om de
hierbovengenoemde bescheiden te zenden aan de Algemene Raad en niet
aan de plaatselijk deken. Voor de laatste is het immers niet eenvoudig
onderscheid te maken tussen zijn toezichthoudende en monitorende rol.
De evaluatie zal onder andere de volgende elementen betreffen:
• het aantal gemaakte resultaatgerelateerde honorariumafspraken
• indicaties voor een toename van het aantal claims
• de omvang van de claims
• eventuele excessen
• de onafhankelijkheid van de advocaat
• de rol van de tuchtrechter
• de (overige) bevindingen van de Algemene Raad in zijn monitorende
rol.
Indien de Algemene Raad in zijn monitorende rol of anderszins zou
blijken van omstandigheden of ontwikkelingen, die hij voor niet
aanvaardbaar of onwenselijk houdt, treedt de Algemene Raad handelend
op. Te denken is bijvoorbeeld aan de totstandkoming van regelgeving op
het gebied van de Wet op de rechtsbijstand, die de toegang tot het
recht zou verruimen voor de rechtzoekende. Voor die groep van
rechtzoekenden zou er dan geen reden meer zijn om op die gronden deel
te nemen aan het experiment.
In voorkomend geval kan de Algemene Raad besluiten de Adviescommissie
regelgeving te raadplegen.
Geldigheidsduur wijzigingsverordening
De geldigheidsduur van deze wijzigingsverordening is gekoppeld aan de
duur van het experiment: 5 jaar. Mocht er onverhoopt na de
expiratiedatum van deze (tijdelijke) wijzigingsverordening niet zijn
voorzien in een aangepaste verordening, dan herleeft het bepaalde in
artikel 2, eerste en tweede lid van de Verordening op de
praktijkuitoefening (onderdeel Resultaatgerelateerde Beloning) d.d. 26
juni 2002, in werking getreden op 2 juli 2002, inhoudende het algehele
verbod op no cure no pay en quota pars litis, met uitzondering van
incassozaken.
Bijlage A
De gedagtekende opdrachtbevestiging dient door beide partijen te
worden ondertekend en bevat een beschrijving van ten minste de
onderstaande punten.
1. Een beschrijving dan wel een verwijzing naar de beschrijving van de
opdracht.
2. Een omschrijving van het redelijkerwijs te verwachten verloop van
de zaak en het ingeschatte te behalen resultaat, met een ondergrens,
dat recht geeft op beloning.
3. Een verwijzing naar de door de advocaat verstrekte schriftelijke
informatie aan de cliënt over de verschillende honorariummodaliteiten.
Daarbij zijn in elk geval aan de orde gesteld:
• de honorering op basis van het gebruikelijk door de advocaat
gehanteerde uurtarief
• de eventuele mogelijkheden inzake door de overheid gefinancierde
rechtsbijstand
• de eventuele mogelijkheden inzake een particuliere
rechtsbijstandverzekering
• de resultaatafhankelijke beloning, waarbij de volgende modaliteiten
zijn te onderscheiden:
a. geen resultaat, geen honorarium (no win no fee)
b. geen resultaat, minder honorarium (no win less fee)
c. wel resultaat, opgehoogd honorarium (win uplift fee, successfee).
4. Een risico- inschatting opgesteld door de advocaat, die verwijst
naar de door de advocaat verstrekte schriftelijke informatie aan de
cliënt betreffende zijn verwachting ten aanzien van de door hem te
verrichten arbeid en de te maken kosten.
5. Een regeling voor het geval de cliënt tussentijds de opdracht
intrekt zonder concreet zicht op het beschreven te behalen resultaat.
De regeling houdt in de betaling van een redelijke vergoeding voor
gewerkte uren en de betaling van gemaakte kosten. Ook dient een
regeling te worden getroffen voor het geval er wèl een concreet zicht
bestaat op het te behalen resultaat.
6. Een regeling, die ziet op de overdracht van de zaak aan een andere
advocaat in geval van tussentijdse intrekking van de opdracht.
7. Een bepaling, dat de advocaat de rechtsbijstand slechts tussentijds
kan beëindigen op grond van gewichtige redenen en met inachtneming van
de daartoe noodzakelijke zorgvuldigheid.
8. Een bepaling, dat een specifieke geschillenregeling van toepassing
zal zijn voor problemen anders dan als bedoeld onder punt 6 en 7.
9. Een bepaling, dat zonder voorafgaande schriftelijke aanvaarding van
de cliënt door de advocaat geen schikkingsovereenkomst met de
wederpartij zal worden gesloten of een gerechtelijke procedure
aanhangig zal worden gemaakt.
10. Een bepaling waarin is neergelegd de tussen advocaat en diens
cliënt afgesproken redelijke bedenktijd voor de cliënt alvorens de
cliënt de opdrachtbevestiging ondertekent en retour zendt naar de
advocaat.
11. Een bepaling waarin is neergelegd, dat de advocaat de cliënt ervan
op de hoogte stelt, dat hij onverwijld een afschrift van de
geanonimiseerde opdrachtbevestiging, alsmede van een geanonimiseerd
afloopbericht – met inbegrip van de financiële afwikkeling – van de
zaak zendt naar de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van
Advocaten.” |