Kamervraag, met antwoord, over rol van de NMa ter beperking van de promotie van geneesmiddelen

Vragen van het lid Arib (PvdA) aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over mogelijk ongeoorloofde promotie door farmaceutische bedrijven (ingezonden 2 april 2004) en het antwoord daarop van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Ontvangen 26 april 2004
Kamervragen met antwoord II 2003-2004, nr. 1440

Alleen vraag 8 heeft betrekking op de NMa/Mededingingwet:
“Kunt u aangeven welke rol de NMa, de FIOD/ECD en/of een toekomstige Zorgkamer kunnen spelen ter beperking van de promotie van geneesmiddelen?”

Het antwoord van de minister luidt:
“Voorzover de promotie van geneesmiddelen wordt bestreken door mededingingsbeperkende afspraken is er een rol weggelegd voor de NMa op grond van de Mededingingswet. Thans houdt de Inspectie voor de Gezondheidszorg toezicht op de naleving van het Reclamebesluit geneesmiddelen in aansluiting op het privaatrechtelijke toezicht dat de farmaceutische sector (De Stichting CGR) zelf uitoefent. Vooralsnog zie ik daarom geen rol weggelegd voor de FIOD-ECD of de toekomstige Zorgautoriteit in dit kader.”

Copyright Amilla