|
Wetsvoorstel rechtstreeks beroep: behandeling in Eerste
Kamer
Voortzetting van de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de
Algemene wet bestuursrecht en enige andere wetten in verband met de
mogelijkheid om de bezwaarschriftprocedure met wederzijds goedvinden
buiten toepassing te laten (rechtstreeks beroep)
27 april 2004
Handelingen I 2003-2004, nr. 26, p. 1352-1358
Minister Donner: “Mevrouw de voorzitter. Door alle
woordvoerders is eigenlijk gewezen op het belang van de
bezwaarschriftprocedure. Uit eigen ervaring bij de Raad van State kan
ook ik het belang daarvan onderschrijven. In wezen is dat dus niet aan
de orde bij dit wetsontwerp.
De heer Witteveen citeerde uit het rapport van de commissie
rechtsbescherming van de VAR. Mevrouw Broekers citeerde frasen uit de
toelichting op de eerste tranche van de Algemene wet bestuursrecht
over het belang van de bezwaarschriftprocedure. De heren Dölle en
Holdijk lieten zich in dezelfde zin uit. Zij kunnen wat dit betreft
ook citeren uit stukken die onder mijn verantwoordelijkheid zijn
uitgebracht. Over het belang van de bezwaarschriftprocedure en het nut
van een bezwaarschriftprocedure als regel verschillen wij dus niet van
mening.
Het wetsvoorstel dat wij vandaag behandelen, berust op het inzicht dat
er op deze regel uitzonderingen bestaan. Uit beide evaluaties van de
Algemene wet bestuursrecht, alsook uit ander onderzoek komt overigens
telkens naar voren dat er in een beperkt aantal gevallen de
bezwaarschriftprocedure juist niet nuttig is en slechts tijdverlies
oplevert. Dat heeft de Kamer als wetgever ook aanvaard bij andere
wetten, waarin al dergelijke vormen zijn aanvaard. Welnu, het
onderhavige wetsvoorstel wil het als algemene regel mogelijk maken dat
voor die uitzonderingsgevallen maatwerk geleverd kan worden in plaats
van dat er rigide moet worden vastgehouden aan de hoofdregel.
Wat zijn de uitzonderingsgevallen? De heer Witteveen citeert de
omschrijving van de VAR: gevallen waarin alle betrokkenen hun
argumenten reeds bij de voorbereiding van het besluit zo uitputtend
hebben gewisseld dat bij voorbaat vaststaat dat een
bezwaarschriftenprocedure geen toegevoegde waarde zal hebben. Met de
heer Witteveen meen ik dat dit inderdaad gevallen zijn die in de zin
van het wetsvoorstel geschikt zijn voor rechtstreeks beroep. Dit zijn
echter niet de enige gevallen.
In een andere categorie gevallen gaat het geschil bijvoorbeeld
uitsluitend over een rechtsvraag. Daarin zijn met andere woorden de
feiten of het beleid niet in geschil. Daarbij is vervolgens duidelijk
dat de partijen een antwoord van de rechter op die rechtsvraag willen.
Ook in die gevallen kan de bezwaarschriftprocedure geen toegevoegde
waarde hebben. Te denken is het geval dat na een wijziging van de
belastingwet tussen de fiscus en een belastingplichtige verschil van
inzicht ontstaat over het antwoord op de vraag of een bepaald veel
gebruikte fiscale constructie nog steeds toelaatbaar is. Veelal zullen
in die situatie beide partijen er belang bij hebben dat die vraag door
de Hoge Raad zo snel mogelijk beantwoord wordt.
Dit laat ook zien dat het praktisch nut van het rechtstreekse beroep
niet alleen maar kan worden afgemeten aan het aantal keren dat er
gebruik van wordt gemaakt en dat het wordt toegepast, zo merk ik op
aan het adres van de heer Holdijk. De versnelling van één
proefprocedure kan ertoe bijdragen dat een groot aantal soortgelijke
gevallen sneller afgehandeld kan worden dan wel überhaupt niet
ingediend wordt. Ik kan ook uit eigen ervaring vertellen over
situaties in het milieurecht en in het ruimtelijke ordeningsrecht die
in wezen neerkwamen op een burenruzie, een geschil tussen twee
bewoners. Wat het bestuur ook beslist, het geschil wordt voorgelegd
aan de rechter. Het gaat alleen om de vraag hoe de situatie moet
worden beoordeeld zoals de partijen die zien. Ook in een dergelijke
situatie heeft men er belang bij dat er een eindoordeel wordt geveld.
Men wil niet dat nog een aantal tussenfasen moeten worden doorlopen.
Op voorhand valt niet te zeggen om welke categorieën het gaat. Ook
valt niet te verwachten dat dit vaak wordt toegepast. Uit evaluaties
blijkt alleen dat het in een beperkt aantal uitzonderingsgevallen
juist nuttig kan zijn. Ik herhaal dat dit ook nuttig blijkt te zijn in
de zin dat er een aantal voorstellen voor een dergelijke procedure is
gedaan. Dat is het tweede belang van dit wetsontwerp, los van de vraag
of het ook veelvuldig op andere terreinen zal worden toegepast. Deze
regeling hebben wij nodig om te voorkomen dat door afzonderlijke
regelingen en soorten aanpak er een verscheidenheid aan figuren, aan
procedures en aan rechtsposities van belanghebbenden ontstaat. In
essentie is de functie van de Algemene wet bestuursrecht dat ervoor
wordt gezorgd dat de verscheidenheid in de bestuurswetgeving wordt
voorkomen. Hieraan bestond voorkomen. Hieraan bestond behoefte. Hierom
gaat het in dezen. Tegelijkertijd ligt in dit maatwerk besloten dat
het niet voor de hand ligt, zoals de heer Witteveen suggereert, om het
bestuur in het algemeen te verplichten tot wijzen op de mogelijkheid
van de uitzondering. Nude uitzondering beperkt is, zouhet alleen maar
verwarrend en misleidend zijn om daar iedere keer op te wijzen. Als
het bestuur op voorhand denkt dat een concreet geval vatbaar is voor
rechtstreeks beroep, dan staat het dat bestuur vrij om dit te
vermelden in het besluit. Een tegenvraag kan zijn hoe wij weten dat
het middel om rechtstreeks beroep in te stellen alleen in
uitzonderingsgevallen zal worden benut. Daarvoor zijn nu juist de
waarborgen ingebouwd. De belangrijkste waarborg op dit punt is dat
partijen ermee moeten instemmen. Het bestuur dus ook. Dat is geen
rechtsvraag, maar een beleidsvraag. Er is ook een belangrijke rem,
want de belanghebbende moet uitdrukkelijk een verzoek doen. Daarmee
moeten het bestuur en alle betrokkenen instemmen. De rechter heeft de
mogelijkheid om zonder veel motivering terug te verwijzen. Dat is de
laatste waarborg in het systeem tegen het risico dat beide partijen in
onderlinge overeenstemming de problemen op het bordje van de rechter
leggen terwijl die er nog niet rijp voor zijn. Mevrouw Broekers maakte
zich hier ook zorgen om. De rechter kan het onderzoek onderbreken en
de zaak naar het bestuur terugverwijzen voor behandeling in bezwaar.
Als de rechter aanleiding ziet om dat veelvuldig te doen, ontstaat de
nodige normering van de vraag wat al dan niet geschikt is. Ook in die
zin is het aan de rechter om te beoordelen waar de lat moet worden
gelegd als er misbruik wordt gemaakt. Ik wijs er ook nog op dat het
bestuur een extra risico loopt dat het besluit wordt vernietigd, de
zaak wordt terugverwezen naar het bestuur voor behandeling en het
bestuur wordt veroordeeld in de kosten en eventueel in de inmiddels
betaalde griffierechten als dat bestuur zaken al te lichtvaardig
geschikt acht. Ook wordt er tijd verloren. De terugwijsmogelijkheid
van de rechter fungeert dus als noodrem.
Ik betwijfel dat dit schering en inslag is, maar mocht het toch
blijken, dan normeert de rechter op die wijze in wezen het gebruik dat
van de procedure wordt gemaakt. In dat geval ben ik het met mevrouw
Broekers eens dat de procedure dan weinig zin heeft. Dat veronderstelt
echter een situatie dat er veelvuldig terugverwezen moet worden. In
andere gevallen, waar twee partijen het erover eens zijn, zal uit de
uitspraken van de rechter moeten blijken wie van de partijen gelijk
heeft. Dan zal ook kunnen blijken wat de winst is van de
bezwaarschriftenprocedure. Ik verwacht niet dat de rechter veel zaken
zal moeten terugsturen naar de bezwaarfase, want dan zoude tijdwinst
in tijdverlies veranderen.
Het oogmerk van het wetsvoorstel is tijdwinst behalen in die gevallen
waar dit kan. Daarom is er ook alles aan gedaan om de procedure zo
eenvoudig mogelijk te maken. Anders dan de heer Witteveen
veronderstelt, kan er dan ook geen sprake van zijn dat partijen zich
tussentijds tot de rechter wenden om uitsluitsel te krijgen over de
vraag of een zaak geschikt is voor rechtstreeks beroep. Die
mogelijkheid sluit het wetsvoorstel nu juist uitdrukkelijk uit. Dat is
ook de reden waarom het begrip niet verder genormeerd wordt, want dat
heeft geen functie. Daar waar een normering nodig zou zijn, zal dit
blijken uit het terugverwijzingsbeleid van de rechter. Voor het
overige gaat het, zoals bij alle prorogatie van een instantie, om
onderlinge overeenstemming tussen partijen omdat zij menen dat afstand
kan worden gedaan van een instantie. Het is in wezen een simpel,
digitaal systeem. Zodra één van de betrokkenen neen zegt, gaat de
bezwaarschriftprocedure door. Als de rechter meent dat het bestuur ten
onrechte de zaak doorverwijst, gaat de zaak door als bezwaarschrift en
wordt de beroepszaak onderbroken.
De toetsing in de bezwaarschriftenfase is, anders dan mevrouw Broekers
veronderstelt, niet noodzakelijkerwijze een doelmatigheidstoetsing. De
rechter toetst bij de terugverwijzing ook niet op de doelmatigheid. De
primaire vraag -- dat is de reden voor de bezwaarschriftenprocedure --
betreft doorgaans de toetsing of alle feiten beschikbaar zijn. Dat
blijkt ook uit het beroep, namelijk of het beroep gaat over nieuwe
feiten die gesteld worden en die opnieuw beoordeeld moeten worden. De
tweede vraag die bij een bezwaarschriftenprocedure doorgaans aan de
orde komt, is of het beleid duidelijk is en voldoende gemotiveerd. Ook
die gevallen laten zich onmiddellijk en vrij snel schiften van de
zaken waarin duidelijk is dat er een beslissing nodig is en waarbij in
wezen alle elementen voor het besluit beschikbaar zijn. Tegelijkertijd
ligt daar ook in besloten dat met het oordeel van het bestuursorgaan
dat een zaak niet geschikt is, het bestuursorgaan niet aangeeft dat er
zelfs nog ruimte is voor een beleidsbeslissing. Het kan heel wel zijn
dat dit berust op de constatering dat het nieuwe feiten betreft die in
de motivering meegenomen moeten worden, zonder dat het beleid een
grotere ruimte geeft. Men wil dan in het licht van het bezwaar het
besluit zekerder maken tegen vernietiging. Dat is vaak ook waar de
bezwaarschriftenprocedure toe dient. In antwoord op de vragen van
mevrouw Broekers en de heer Dölle wijs ik erop dat het wetsvoorstel
met opzet niet regelt wie binnen het bestuursorgaan beoordeelt of een
zaak al dan niet geschikt is voor rechtstreeks beroep. Ook in dat
opzicht moet het zo eenvoudig mogelijk gehouden worden. Dit sluit niet
uit dat als een bestuursorgaan het nuttig oordeelt, het de deskundigen
van de bezwaarschriftencommissie kan raadplegen. De wetgever moet dit
echter niet als voorwaarde gaan voorschrijven, want in wezen zijn wij
dan bezig om de bezwaarschriftenprocedure te handhaven maar deze op
een andere wijze in te richten. De wet sluit niet uit dat het bestuur
zelf tot het oordeel komt dat de zaak geschikt is en laat dit geheel
aan de beoordeling van het bestuur. Zelfs is inschakeling van de
bezwaarschriftencommissie niet verboden, zij het dat het niet voor de
hand ligt bij een beslissing die vooral snel moet worden genomen. Het
feit dat niet een onafhankelijke instelling oordeelt over de
geschiktheid, is inherent aan de bezwaarschriftenprocedure waarbij het
altijd het bestuur is dat beslist op het advies over de
bezwaarschriftenprocedure. De bezwaarschriftenprocedure is derhalve
niet een onafhankelijke rechter in andere gedaante. Ook de vraag of
daaraan voorbijgegaan kan worden, is een kwestie die het bestuur zelf
kan oordelen. De procedure van het bezwaarschrift gaat om een
hernieuwde afweging. Het is dan ook aan het bestuur om te bezien of
een hernieuwde afweging zinvol is of niet.
De heer Dölle heeft de kwestie van de derde belanghebbende
aangesneden. Als een derde belanghebbende bijvoorbeeld niet betrokken
geweest is bij het vooroverleg over een bouwvergunning en er wordt een
bezwaarschrift ingediend, ligt het niet voor de hand dat men kiest
voor direct beroep. Dan zijn er immers nieuwe feiten en argumenten die
niet meegewogen zijn in het besluit. Zou het bestuur dat wel doen en
zou de rechter niet terugverwijzen, nogmaals, dan is de uitkomst van
zo'n procedure dat het besluit vernietigd wordt en de zaak alsnog moet
worden overgedaan. Daarvoor zal een bestuur niet kiezen in die
situatie. Dat moet u zien in de praktische operatie. Het bestuur zal
instemmen met direct beroep als zij de verwachting heeft dat het
besluit zoals het er ligt in beroep bevestigd zal worden. Idem dito
zal in die situatie degene die bezwaar indient akkoord gaan met direct
beroep als hij de verwachting heeft dat zijn argumenten steekhoudend
zijn. Juist daarin en in het vereiste van instemming van beide
partijen ligt de waarborg dat het niet zal leiden tot veel onnodige
procedures maar juist gebruikt zal worden in die zaken waar het tot
een versnelling kan leiden.
Voorts vraagt de heer Dölle om een voorbeeld van een categorie van
besluiten waarvoor nu al in een beleidsregel zouku nnen worden
vastgelegd dat in beginsel rechtstreeks beroep mogelijk is. Die
voorbeelden zijn nog niet te geven, anders dan de voorbeelden van een
aantal wetvoorstellen waarin een dergelijke procedure wordt
voorgesteld in de wettelijke regeling zelf. Ik verwacht niet dat er
veelvuldig gebruik van gemaakt zal worden. Dat sluit niet uit dat in
de praktijk na verloop van tijd zal blijken dat het bij een bepaalde
categorie besluiten regelmatig wordt toegepast. In die situatie kan
eventueel een beleidsregel worden opgenomen. Ook dan moet men niet
meteen van de uitzondering regel gaan maken, want dan verliest men de
situatie. Het blijft maatwerk.
Deze regeling biedt een experimentenregeling aan het bestuur om ermee
in te stemmen in die situaties die het bestuur ervoor geschikt acht.
Ik heb gewezen op het veel grotere gevaar dat op dit moment dreigt,
namelijk dat het in verschillende regelingen verschillend
georganiseerd gaat worden. Dan zijn wij veel verder van huis dan met
deze regeling die het in het algemeen mogelijk maakt. Als een
bestuursorgaan wel een beleidsregel opstelt, zal daar uiteraard naar
verwezen kunnen worden in het besluit.
De heer Holdijk vroeg mij nog naar de ervaringen met de mogelijkheid
van rechtstreeks beroep tegen beslissingen van de NMa. De
regeling waarin die voorziening is opgenomen, heeft nog geen kracht
van wet. Wij hebben daarmee dus nog geen ervaringen opgedaan. De enige
ervaring die wij met rechtstreeks beroep hebben, dateert van voor
1994. Toen bestond een dergelijke mogelijkheid in het belastingrecht,
waarvan toen spaarzaam gebruik werd gemaakt.
De vraag van de heer Holdijk of het bestuursorgaan de mogelijkheid
heeft een prorogatieverzoek af te wijzen, ook als de zaak wel geschikt
zouzijn, beantwoord ik met ''ja''. Nogmaals, er is niet alleen
toetsing van de vraag ''geschikt of niet geschikt''. In dat geval zal
ook het bestuursorgaan dat kunnen herbeoordelen. Er is inderdaad
sprake van een discretionaire bevoegdheid van het bestuursorgaan. Er
kan voor worden gekozen om in beginsel geen instemming te verlenen met
verzoeken om rechtstreeks beroep. De aanwezigheid van een objectief
criterium dat de zaak geschikt moet zijn voor rechtstreeks beroep
vormt alleen maar een waarborg dat het bestuursorgaan zorgvuldig
omgaat met de uitoefening van die discretionaire bevoegdheid, met name
wanneer de zaak kan worden terugverwezen door de rechter indien men
van mening is dat die nog niet geschikt is voor beoordeling door de
rechter. Zelfs dat gebeurt zonder criterium.
De heer Holdijk stelt dat het bestuur in de praktijk reden kan zien om
alleen bij tweepartijengeschillen in te stemmen met rechtstreeks
beroep. Ik denk ook dat het bij tweepartijengeschillen vaker zal
voorkomen dan bij meerpartijengeschillen. Maar ook bij
meerpartijengeschillen is het niet ondenkbaar. Het komt weleens voor
dat bij het vooroverleg over een bouwvergunning ook buren zijn
betrokken. Het is mogelijk dat alle partijen besluiten het bestuur te
verzoeken om hun geschilpunt direct aan de rechter voor te leggen. Ik
heb vele malen meegemaakt, ook in het milieurecht, dat dit
verstandiger zou zijn. Daarbij is niet gegarandeerd dat met deze
regeling het verstand zal zegevieren in die zaken. Nog vaak zal een
bezwaarschriftenprocedure worden gevolgd, als rechtstreeks beroep geen
uitkomst biedt.
De heer Dölle werpt de problematiek op van de derdebelanghebbende die
geen bezwaar indient. Ook als het besluit geheel aan zijn
oorspronkelijke verzoek tegemoet komt en er geen reden is voor
bezwaar, blijft hij voor de rechter potentieel partij bij de zaak en
kan hij opmerkingen maken. In die zin verliest hij geen rechten, maar
is het redelijk dat hij niet uitdrukkelijk bij gebrek aan bezwaar zal
moeten instemmen met de eventuele prorogatie. Dan wordt zijn standpunt
in wezen behartigd door het bestuursorgaan.
Mevrouw Broekers vraagt zich af hoe dit verenigbaar is met het streven
van het kabinet om geschillen te voorkomen. De tegenspraak die zij
signaleert zie ik niet. Het proces van mediation wordt inderdaad
ingegeven door de wens om onnodige geschillen te voorkomen. Direct
beroep, de prorogatie, berust nu net op het gegeven en op de
beoordeling van beide partijen dat het rechtsgeschil onvermijdelijk is
en dat de bezwaarschriftenprocedure er niets aan wijzigt. In al die
gevallen waarin de verwachting is dat de bezwaarschriftenprocedure het
geschil voor de rechter kan voorkomen, is het waarschijnlijk dat een
van de partijen niet zal instemmen met de prorogatie. De prorogatie is
alleen zinvol wanneer en gaat uit van de vooronderstelling dat er
geschillen zijn waarbij het geschil voor de rechter onvermijdelijk is.
Dan is het niet zinvol om de procedure te rekken met een
bezwaarschriftenprocedure. Ik ben mij ervan bewust dat wij in zekere
zin een vooronderstelling doen over de toekomstige praktijk. Als hier
veelvuldig gebruik van wordt gemaakt en als dat niet leidt tot
terugwijzen door de rechter en niet tot andere oordelen door de
rechter, dan is dit wetsvoorstel een succesvolle operatie. Zoudit
wetsvoorstel leiden tot veelvuldig terugwijzen door de rechter of
zouin prorogatie veelvuldig het besluit vernietigd worden waardoor
alsnog een besluit door het bestuur moet worden genomen, dan zullen
wij moeten bezien of dit een verstandig besluit is geweest.
Nogmaals, ik schat in dat de rechter met de terugwijsmogelijkheid die
situatie kan voorkomen. Door de balans van standpunten kan een
situatie ontstaan waarin de waarborgen zullen verzekeren dat de
prorogatie niet leidt tot onnodig beslag op de rechter, maar juist kan
functioneren om het onnodig rekken van procedures te voorkomen.
Vandaar dat ik heb toegezegd om al na een jaar de werking van de wet
te evalueren. Dat is van belang in dezen. Inderdaad, wij begeven ons
hier tot op zekere hoogte op onbetreden terrein op basis van
schattingen, evaluaties en behoeften in andere procedures. Juist de
behoefte in specifieke gevallen rechtvaardigt een algemene regeling,
ook als wij de verwachting hebben dat het in het algemeen een
uitzondering zal worden.” |