|
Hervorming van het toezicht op de financiële
marktsector; rol van de NMa
Hervorming van het toezicht op de financiële marktsector; Verslag
algemeen overleg op 21 april 2004
Vastgesteld 12 mei 2004
Kamerstukken II 2003-2004, 28122, nr. 20
“De vaste commissie voor Financiën1 heeft op 21 april 2004 overleg
gevoerd met de heer Zalm, vice-minister-president, minister van
Financiën, over
– vormgeving van het toezicht op de infrastructuur van de
financiële markten; taakverdeling DNB en AFM (28 122, nr. 19).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissie
Mevrouw Koomen (CDA) acht de brief van de minister weinig
helder. [...] De rol van de Nederlandse mededingingsautoriteit
(NMa) wordt via een kapstokbepaling toegevoegd. Zij zal toezicht
houden op de prijsafspraken voor pinnen en chippen, die echter buiten
clearing en settlement van de afwikkelsystemen vallen. Waarom wordt
deze link gelegd? Als de NMa een grotere rol moet krijgen dan in de
Mededingingswet is opgenomen, impliceert dat dan ook dat er een rol
voor haar is weggelegd in de Wft? Zo ja, kan de minister in een brief
deze rol en de redenen daarvoor uiteenzetten?
De heer Heemskerk (PvdA)[...]. [...] Het is
onduidelijk waarom de minister in zijn brief het prijsregulerende,
sectorspecifieke toezicht heeft neergelegd bij de NMa. Een specifieke
toezichthouder financiële sector lijkt daarvoor eerder in aanmerking
te komen, waarbij De Nederlandsche bank (DNB) voor de hand ligt. De
NMa is er vooral voor ex post toezicht, voor harde straffen en hoge
bestuurlijke boetes. Ook bij sommige vormen van prijstoezicht met
aspecten van mededinging is de NMa aan zet. DNB heeft echter meer
ervaring in en zicht op de financiële sector. Het is voorstelbaar dat
het prudentiële belang soms boven het mededingingsbelang gaat, omdat
het uit prudentieel oogpunt belangrijker is dat bepaalde zaken niet
worden toegelaten, terwijl zij vanuit een concurrentieoogpunt wel goed
zijn. De NMa kan die afweging niet maken. Deze opvatting wordt gedeeld
door de heer Kalbfleisch (DG NMa), die van mening is dat
prijsregulering terecht een ultimum remedium is, waarbij een afweging
hoort van de wetgever, waarvoor soms additionele wettelijke
bevoegdheden toegekend moeten kunnen worden. In zijn visie is
prijsregulering het werkterrein van het sectorspecifieke markttoezicht
door marktregulators. De PvdA-fractie is dan ook van mening dat
prijsregulerende taken neergelegd moeten worden bijeen specifieke
financiële toezichthouder. Wat is de reactie van de minister hierop?
Mevrouw Van Egerschot (VVD) [...]. [...] Het is
niet duidelijk waarom de NMa als derde toezichthouder wordt
geïntroduceerd. Ook is er onduidelijkheid over de verhouding tussen
DNB en de Autoriteit financiële markten (AFM). Daarnaast is het
uitgangspunt dat er bijhet toezicht op betalings- en op het (efficiënt
vormgeven van) effectenafwikkelsystemen geen overlap ontstaat tussen
de werkterreinen van de verschillende toezichthouders. De
toezichthouders bezien dan of een convenant van samenwerking opportuun
is. Wat is de stand van zaken ten aanzien van een dergelijk convenant?
Wordt daarin een duidelijke scheidslijn getrokken zowel ten aanzien
van DNB, als de AFM en de NMa? [...].
Het antwoord van de minister
[...] De NMa houdt de concurrentieverhoudingen in het oog en
gaat na of er economische machtsposities zijn. Een prijsmaatregel is
een ultimum remedium. DNB is niet gespecialiseerd in bevordering van
de concurrentie en het bepalen van een redelijke prijs. De NMa heeft
meer expertise op dat punt. Met het overlaten aan de marktregulator
wordt door de NMa bijvoorbeeld de OPTA (onafhankelijke post- en
telecommunicatieautoriteit) en de DTE (dienst uitvoering en toezicht
energie) bedoeld, een soort gespecialiseerde NMa. DNB is echter geen
marktregulator. Bij DNB is er het risico dat hij zich iets meer laat
leiden door het maken van winst, dan door verlaging van de kosten voor
de consument. De NMa kiest als invalshoek de afnemers/consumenten.
Aansluitend bij de bevoegdheid van de NMa op mededingingsgebied, ligt
advisering van de NMa over het toepassen van een ultimum remedium het
meest voor de hand, als sluitstuk van de eigen activiteiten ter
bevordering van mededinging. Er zijn reeds initiatieven genomen om ten
aanzien van Interpay de concurrentieverhoudingen te verbeteren via het
sluiten van contracten tussen Interpay en banken, die vervolgens
contracten sluiten met afnemers. Als dit geen effect heeft, moet als
ultimum remedium prijsregulering mogelijk zijn. De keuze voor de NMa
ligt ook voor de hand vanwege haar toezicht op de
concurrentieverhoudingen en op het tegengaan van misbruik van
economische machtsposities. Zij heeft een algemene bevoegdheid, ook in
de financiële sector. Uiteindelijk neemt de minister van Financiën na
advies of op verzoek van de NMa een prijsmaatregel. Ook de andere twee
toezichthouders zullen daarover worden geconsulteerd. [...]
Nadere gedachtenwisseling
Mevrouw Koomen (CDA) vraagt wanneer het gewijzigde toezicht
ingaat. Krijgt de NMa in andere delen van de Wft nog een rol
toebedeeld? [...].
De heer Heemskerk (PvdA) [...].[...] De NMa is vooral de
toezichthouder voor de afnemers, aldus de minister, maar juist DNB en
de AFM moeten erop worden aangesproken dat ook zij oog hebben voor de
consument.
[...] mevrouw Van Egerschot (VVD) [...]. De
adviserende rol van de NMa ten opzichte van de minister blijft
onhelder.
[...].De minister beaamt dat DNB en AFM de consument voor ogen
dienen te hebben, zij het op basis van een iets andere invalshoek dan
de overheid, wier ultieme doel uiteindelijk is om de burger/consument
te dienen. De NMa is al toezichthouder. Zij is bevoegd om mededinging
in de financiële sector te toetsen en om eventueel maatregelen te
nemen. Als de minister ooit een prijsmaatregel overweegt, zal hij zich
baseren op een verzoek of een analyse van de NMa. In toekomstige
wetgeving zijn geen bijzondere rollen voorzien voor de NMa, anders dan
het algemene concurrentietoezicht.” |